Hoofdstuk 4
Sociale taalfuncties
Hier vind je een bespreking van de sociale taalfuncties.
Taalfuncties stimuleren
Taal heeft verschillende functies, je gebruikt taal met verschillende bedoelingen. Er zijn drie hoofdfuncties: communiceren, conceptualiseren en expressie tonen. De communicatieve taalfuncties worden ook wel sociale taalfuncties genoemd. Deze zijn gericht op contact met anderen tot stand brengen en worden door kinderen vaak spontaan gebruikt. Vier soorten sociale taalfuncties komen veel voor.
- Taal heeft de functie van zelfhandhaving als de spreker wil aangeven wat hij graag wil, zichzelf verdedigt of zijn bezit beschermt. Je herkent dit bij leerlingen in zinnen als: ‘Ik wil limonade’, ‘Kijk eens wat ik kan!’, ‘Dat is van mij’, ‘Jij bent stom’.
- Van zelfsturing is sprake wanneer de spreker zijn eigen handelen met woorden ondersteunt of plannen aankondigt. Dit gebeurt bij kleuters vaan tijdens het spel. Voorbeelden zijn zinnen als: ‘En nu zet ik er nog een blokje op’ en ‘Eerst moet ik de pop vinden’.
- Bij sturen van anderen ondersteunt de spreker met taal wat hij wil dat een ander doet (directief). Voorbeelden zijn zinnen als: ‘En toen was jij de politieagent’ en ‘Nu moet jij wat zeggen.
- Als taal gebruikt wordt om het gesprek te ordenen, spreken we van de structurerende functie. Het vragen en het doorgeven van een beurt zijn hiervan voorbeelden. Je herkent dit bij leerlingen in zinnen als: ‘Mag ik nu?’, ‘Nu ben ik!’, ‘Wil jij nu?’ en ‘Klaar!’.