Hoofdstuk 4
Gesprek na het weekend
Hier vind je een analyse van dit gesprek en van de rol van de leerkracht hierbij.
Gesprek na het weekend
Als je om halfnegen op maandagochtend een basisschool bezoekt, zitten de kinderen vaak in een kring: ze vertellen over het weekend. Leerlingen verwoorden zo hun gedachten en gevoelens, stellen elkaar vragen en geven antwoord. Een leerkracht weet dat tijdens zo’n gesprek veel vaardigheden tegelijk worden geoefend en dat hij erop moet toezien dat alle leerlingen de kans krijgen aan het woord te komen.
We zagen al dat in groepen vaak meer sprake is van dialogen tussen de leerkracht en de leerling dan van gesprekken waarbij alle leerlingen betrokken zijn en we wezen erop dat de waarde van zo’n kringgesprek dan betrekkelijk gering is omdat het te lang duurt en er te weinig kinderen werkelijk meedoen. Maar hoewel een kringgesprek daar vooral een inhoudelijk doel heeft (ervaringen uitwisselen), kan de leerkracht ook een doel toevoegen om expliciet het spreken en/of het luisteren te trainen. Hij kan bijvoorbeeld de regel invoeren dat na elk verhaal van een leerling drie andere leerlingen een vraag mogen stellen over het vertelde.
In een kringgesprek in groep 2 onder leiding van een student uit de stageklas is Derya is aan de beurt. De student vraagt door.
- Derya: ‘Ik heb hagelslag geëet en melk.’
- Student: ‘Heb je de hagelslag op je hand gestrooid?’
- Derya: ‘ Nee, op brood en mijn papa heeft gewerkt. Ik heb nagellak gemaakt.’
- Student: ‘Wie heeft dat op je nagels gedaan?’
- Derya: ‘Ik.’
- Student: ‘ Mocht je dat zelf doen?’
- Derya: ‘...’
- Student: ‘Van wie is die nagellak?’
- Derya: ‘Van mij is die nagellak.’
- Student: ‘Leuk hoor! Wil je ons nog meer vertellen?’
- Derya: ‘Ik heb ik bij… bij… bij… bed geslapen alleen, papa deur dicht en heb ik niet gehuild.’
- Student: ‘Durfde jij zo maar met je deur dicht te slapen?’
- Derya: ‘Ja, deur dicht, ik niet bang, ik lach, deur dicht.’
- Student: ‘Dat vind ik heel knap.’
- Derya: ‘Juffrouw, ik wil nu kiezen.’
- Student: ‘Wie kies je uit?’
- Derya: ‘Cynthia.’
Dit gesprek is vooral een dialoog tussen de leerkracht en de leerling. Derya krijgt weliswaar de kans om haar verhaal te vertellen, maar er is weinig sprake van serieuze interactie of echte wederzijdse belangstelling voor het onderwerp. Ook is de rol van de andere leerlingen in de groep niet duidelijk. Zij moeten hier vooral goed luisteren – stil zijn dus.
Om er meer een gesprek van te maken waarbij alle kinderen betrokken zijn, kun je de kinderen ook in twee- of drietallen aan elkaar laten vertellen wat ze gedaan hebben in het weekend. Het gesprek wordt daardoor vaak natuurlijker. Deze werkvorm moet wel met kinderen worden ingeoefend, omdat de gesprekken anders minder doelgericht blijven. Dat betekent dat je gesprekken eerst voor moet doen, dan samen en dan pas de kinderen zelfstandig met elkaar laat praten.