Hoofdstuk 4
Cognitieve taalfuncties
Hier vind je voorbeelden om met deze aan taalfuncties gekoppelde vragen aan de slag te gaan.
Voorbeelden van vragen ter ondersteuning die je kunt stellen om taalfuncties uit te lokken:
Rapporteren:
- Wat is dit?
- Wat zie je (op de plaat …)?
- Hoe ziet een … er uit?
- Wat heb je gisteren, vorige week, … gedaan?
- Wat ga je morgen, in de vakantie, … doen?
- Hoeveel is er van … ?
- Hoe klinkt … ?
- Wat zijn verschillen, c.q. de overeenkomsten tussen … en … ?
- Wat gebeurde er toen?
Redeneren:
- Wat gebeurt er als … ?
- Waarom doet hij dat, denk je … ?
- Hoe komt het dat … ?
- Wat is er met … aan de hand?
- Wat gebeurt er als … ?
Projecteren:
- Wat denkt … ?
- Waarom huilt, lacht, rent ze?
- Wat zal … gaan zeggen?
Voorbeeld van een lesvoorbereiding
Kies een praatplaat waarop veel te zien is. Bereid samen met een collega-student een gesprek voor met een groepje leerlingen en maak van tevoren vragen waarbij je verschillende taalfuncties aan bod laat komen. Gebruik het overzicht hierna. Hanteer bij de voorbereiding het volgende stappenschema:
- Kies een context.
- Maak een keuze uit de taalfunctie.
- Inventariseer de vragen.
- Bepaal hoe het gesprek gaat verlopen (oriëntatie, op gang houden, afsluiten).
- Vul de matrix in.
hier en nu | verleden | toekomst | |
rapporteren |
|
| |
redeneren |
| ||
projecteren |
|