Hier vind je uitwerkingen van andere gespreksvormen: leergesprek, gesprekken in kleine kring, gesprekken in drietallen, dialoog en taalronde.
Sluit het venster
Leergesprek
Leergesprekken worden veelal klassikaal gevoerd en vaak ingezet bij de zaakvakken. In interactie met de klas wordt voorkennis geactiveerd, nieuwe kennis geïntroduceerd (bijvoorbeeld begrippen bij aardrijkskunde) of een strategie aangeleerd (bijvoorbeeld bij rekenen). Na afloop verwerken de leerlingen het geleerde in opdrachten.
De kinderen zitten hierbij meestal op hun eigen plaats (in rijen of in groepjes). Omdat de gespreksdeelnemers elkaar niet allemaal kunnen zien, is het beeld vaak dat een leerkracht de vragen stelt en de leerlingen antwoord geven. Van een gesprek met en tussen leerlingen is dan nauwelijks sprake. In deze situaties komen bovendien overwegend gesloten vragen aan de orde.
Om een leergesprek inhoudelijk rijker, maar ook meer taalontwikkelend te laten zijn, is het van belang ook vragen te stellen die leerlingen stimuleren tot redeneren, projecteren, evalueren, enzovoort. De term leergesprek krijgt dan ook meer inhoud.
Sluit het venster
Gesprekken in kleine kring
Als het gaat om het stimuleren van de mondelinge taalvaardigheid van de leerlingen heeft een kleine kring de voorkeur boven een grote. Leerlingen krijgen dan meer kans om zelf te formuleren en gedachten onder woorden te brengen. Bovendien kan er een bepaald thema of onderwerp worden doorgesproken waarmee kinderen hun kennis kunnen uitbreiden. Gesprekken in kleine kringen komen om die reden steeds vaker voor.
Hoewel ze als werkvorm de taalontwikkeling van kinderen meestal beter stimuleren, vereisen ze van de leerkracht behalve kennis en vaardigheden op het gebied van gesprekken ook nogal wat vaardigheden op het gebied van klassenmanagement. De leerkracht is in gesprek met een groep van vier tot vijf kinderen terwijl de andere kinderen in de klas zelfstandig aan het werk zijn. In de praktijk blijkt dat kinderen hiermee goed kunnen omgaan, vooral als je deze werkvorm regelmatig hanteert en alle kinderen aan bod laat komen.
Goed bruikbaar voor je praktijk zijn de ‘Zilveren regels van interactie in de kleine kring’ (Damhuis & Litjens, 2003)
In het artikel Doelen en onderzoeksresultaten op middellange termijn van Van der Beek en Damhuis (2003) gaan de auteurs in op de effecten van interactie in de kleine kring.
Sluit het venster
Gesprekken in drietallen
Bij gesprekken in drietallen zijn meestal twee leerlingen met elkaar in gesprek vanuit een bepaalde rol en is de derde leerling neutraal. Hoogeveen (2005) beschrijft deze organisatievorm die leerlingen gericht bezig laat zijn met de rollen in een gesprek. De leerlingen weten wat het doel is van het gesprek, welke gesprekssoort en gespreksvorm zij gebruiken en welke gespreksregels er gelden.
Het verloopt als volgt.
- Het gesprek wordt gevoerd door een inbrenger, een vragensteller en een notulant.
- De inbrenger komt met een idee en de vragensteller vraagt net zo lang door tot het idee helemaal duidelijk is geworden. De inbrenger is dus het meest actief.
- De notulant maakt aantekeningen.
- Na verloop van tijd wisselen de leerlingen van rol (Hoogeveen, 2005, p. 38).
Behalve om samen een idee uit te werken, zijn gesprekken in drietallen ook bedoeld om bewust stil te staan bij een gesprektechniek. Om die reden is het belangrijk dat na afloop met de leerlingen niet alleen wordt geëvalueerd over de inhoud, maar ook over hoe het gesprek verlopen is.
Sluit het venster
Dialoog
Een werkvorm die in de basisschool nog relatief weinig voorkomt is, is de dialoog (ook wel tweegesprek of duogesprek genoemd). Leerlingen mogen vaak wel met elkaar overleggen tijdens het werk, maar ze worden onvoldoende gestimuleerd om daar ook kwalitatief inhoud aan te geven. Als expliciet wordt uitgelegd hoe zo’n duogesprek of dialoog werkt en waar het voor bedoeld is (zie 3.3.3), kan die mogelijkheid veel meer benut worden.
Een dialoog kan ingezet worden voor de uitvoering van een werkopdracht of de voorbereiding van een presentatie, maar ook om weekendervaringen of -plannen uit te wisselen. In dat laatste geval is het een goed alternatief voor kringgesprek over ‘wat ga je doen in het weekend’, waarbij de leerkracht vooral druk is om iedereen bij het gesprek te houden. Bij een dialoog kunnen twee leerlingen elkaar vertellen wat ze gaan doen en hoeven de kinderen niet op elkaar te wachten. Dat het onderwerp van gesprek dan misschien gaat verschuiven, is geen probleem; het gaat er immers om dat leerlingen zelf aan het woord zijn en iets aan een ander duidelijk maken.
Sluit het venster
Taalronde
De taalronde (Van Norden, 2004) is een ander alternatief voor het kringgesprek. Hierbij zitten de leerlingen ook in een kring, maar het grote verschil is dat in de taalronde een doordachte opbouw van taalwerkvormen wordt geboden. In korte tijd komen alle taaldomeinen aan bod, waarbij de inhoud van het vertelde vooropstaat.
De taalronde begint met het uitwisselen van ervaringen naar aanleiding van een zorgvuldig gekozen vraag of voorbeeld waarover alle kinderen iets kunnen zeggen. De interactie tussen leerkracht en kinderen is gericht op verrijking van het vertellen. Mondelinge communicatie in de kring heeft een functionele betekenis in het geheel van het onderwijs en is geen losse activiteit. Om dit goed in de vingers te krijgen als leerkracht moet je veel ervaring opdoen in de praktijk.