Hoofdstuk 4
Combilist
Toetsen
Toetsing moet voldoen aan drie basiseisen:
- objectiviteit: er zijn duidelijke normeringsvoorschriften die ondubbelzinnig aangeven wanneer iets goed of fout gerekend wordt;
- betrouwbaarheid: de uitslag is onder alle omstandigheden hetzelfde: als je twee keer dezelfde toets bij de leerling afneemt, moeten de resultaten ongeveer gelijk zijn;
- validiteit: de toets meet daadwerkelijk wat gemeten moet worden. Dat is niet altijd makkelijk te bepalen. Soms is het namelijk niet mogelijk om deelvaardigheden strikt van elkaar te scheiden.
Toetsing van mondelinge taalvaardigheid is complex, maar er zijn wel geschikte toetsen voorhanden. Sommige daarvan zijn gekoppeld aan een taalprogramma en zijn dus methodegebonden: ze toetsen wat een leerling geleerd heeft van een specifiek taalaanbod. Er zijn slechts enkele landelijk genormeerde, methodeonafhankelijke toetsen, waaronder Luisteren, dat evenals Taal voor kleuters, Woordenschat en Taalschaal deel uitmaakt van het Cito-leerlingvolgsysteem.
Observaties
Om zicht te krijgen op de taalontwikkeling van kinderen is systematische observatie minstens zo belangrijk als het afnemen van toetsen. Een belangrijk verschil met toetsen is dat kinderen bij observaties niet vergeleken worden met landelijke normen en dat juist hun eigen taalontwikkeling in een bepaalde periode in beeld gebracht kan worden. Observaties zijn daarmee en goed middel om het taalgedrag van de kinderen te bezien in de totale communicatieve situatie.
Natuurlijk ziet een leerkracht zijn leerlingen de hele dag in allerlei gesprekssituaties en heeft hij wel een beeld van wat ze kunnen, van hun sterke en zwakke kanten en van hun achtergrond. Toch is het goed om zo nu en dan even wat afstand te nemen en de leerlingen ook eens met een zo objectief mogelijke blik te beschouwen.
Goed voorbereide observaties leveren betrouwbare gegevens op. Er zijn verschillende observatie-instrumenten voorhanden die een leerkracht kan gebruiken. Een probleem van observatielijsten is wel dat ze niet genormeerd zijn en dat de persoonlijke beleving van de leerkracht bepalend is voor de invulling ervan, waardoor ze nogal subjectief zijn. Afgezien van dit bezwaar is de observatie een belangrijk instrument om zicht te krijgen op de (taal)ontwikkeling van een kind.
In Damhuis en Litjens (2003) worden evaluatiemogelijkheden gegeven voor:
- verhalen vertellen (deel 2, paragraaf 6.2);
- interactie in de kleine kring (deel 3, paragraaf 2.6);
- gesprekken om te leren (deel 4, paragraaf 2.4).
Onderbouw
Leraren van de onderbouw hanteren instrumenten voor observatie voor alle ontwikkelingsgebieden van de leerlingen. Een onderdeel daarvan is meestal de mondelinge taalvaardigheid. De meest voorkomende instrumenten in de basisschool zijn Piramide, Horeb en Eggo.
De observaties in Schatkist richten zich op mondelinge taal en woordenschat, beginnende geletterdheid, beginnende gecijferdheid en sociaal-emotionele ontwikkeling. In de handleiding is een lijst van observatiepunten per leerlijn opgenomen. Daar waar de ontwikkeling opvalt, kan deze aan de hand van het kopieerblad portfolio per doelgebied nader worden bekeken.
In het onderwijspakket Kleuterplein zijn per leerlijn observatieformulieren gemaakt, die de leerkracht kan gebruiken bij het volgen van de leerling.
Praten en luisteren | 1 Informatie overdragen en begrijpen | Kan kennis, wensen en mening duidelijk verwoorden |
Begrijpt informatie van andere kinderen en van leerkracht | ||
2 Gespreksvaardigheid | Reageert duidelijk op wat een ander zegt | |
Past alledaagse communicatieve functies toe, zoals groeten, bedanken, vraag stellen | ||
Neemt initiatief om met andere kinderen een gesprek te voeren | ||
Neemt actief deel aan gesprekken | ||
3 Verhalen vertellen | Drukt zich goed uit in een verhaal | |
Kan een verhaal voorbereiden en vertellen | ||
4 Mening geven en reageren op andermans mening | Kan de eigen mening verwoorden | |
Geeft argumenten voor eigen mening | ||
Reageert op de mening van een ander | ||
Kan in een gesprek een probleem onder woorden brengen en proberen tot een oplossing te komen | ||
5 Reflectie | Kan praten over de manier waarop een gesprek is verlopen | |
Kan vertellen over het verloop van een uitgevoerde activiteit | ||
Kan vertellen over het resultaat van eigen werk (product) |
Deel observatieformulier uit Kleuterplein
Midden- en bovenbouw
Veel taalmethodes hebben in hun materiaal wel observatielijsten opgenomen voor spreken en luisteren, maar in de praktijk worden deze weinig gebruikt. Leraren noemen daarvoor zelf de volgende redenen.
- Het registreren en observeren kost onevenredig veel tijd en is organisatorisch haast niet in te passen in de praktijk van alledag.
- Er is twijfel over de zinvolheid van de registratie.
- Je kunt wel vastleggen wat de ontwikkeling is van een leerling, maar het is moeilijk om daaruit consequenties te trekken voor het onderwijsaanbod omdat spreken en luisteren vaak toch ongrijpbare vaardigheden zijn.
- Ze vinden spreken en luisteren minder belangrijk.
- Ze herkennen de leerlijnen van luisteren en spreken niet of onvoldoende.
Voor de midden- en bovenbouw zien we aandacht voor mondelinge taalvaardigheid wel terug in observatie-instrumenten voor sociaal-emotionele ontwikkeling, maar het gaat dan vooral om het in beeld brengen van de sociale vaardigheden en niet van de kwaliteit van de mondelinge taalvaardigheden. Toch is het aan te bevelen om ervaringen te blijven opdoen met gerichte observaties.
Portfolio’s
Ook een portfolio kan gebruikt worden als evaluatie-instrument. Het taalportfolio is een instrument waarmee leerlingen hun eigen kennis en vaardigheden van taal kunnen inschatten en bewijzen ervan kunnen verzamelen. Ook helpt het taalportfolio bij de sturing van het verdere leerproces.
Voor mondelinge taal kunnen hierin notities van de leerkracht en van de leerling opgenomen worden of digitale opnames die laten zien hoe een leerling participeert in een gesprek.
Een portfolio heeft enkele voordelen boven een observatielijst.
- Het geeft beter weer hoe de leerling zich ontwikkelt.
- Het werk en de prestaties kunnen concreet besproken worden met ouders of de leerling zelf.
Een voorbeeld van een digitaal portfolio is Digispot. Dit is een webapplicatie die kan worden gebruikt om al het werk (documenten, tekeningen, foto’s, geluidsopnamen, enzovoort) van leerlingen digitaal te bewaren. Ouders kunnen hiermee thuis het werk van hun kind bekijken en beluisteren.
Een dergelijk digitaal portfolio kan bovendien goede diensten bewijzen bij interactief taalonderwijs. Doordat kinderen zelf ook toegang hebben tot en kunnen werken aan het portfolio, wordt het onderdeel van een actief proces waarbij de leerling in interactie met zijn omgeving betekenis construeert (Biemond, 1998) en via evaluatie (samen met de leerkracht) inzicht krijgt in wat hij geleerd heeft. Op die manier leren kinderen reflecteren op hun eigen taalgebruik.
Voor de mondelinge taalontwikkeling is het lastiger om resultaten te bewaren dan voor schriftelijke taalontwikkeling, maar het digitaal opnemen en opslaan van gesprekken van leerlingen is een mogelijkheid die steeds meer gebruikt wordt.
Een interessant artikel over evalueren van (mondelinge) taalvaardigheid is: Kienstra, M. Taalvaardigheid in beeld. Tijdschrift Taal, 4(6), 51-59. Zie:
Literatuur
Biemond, H. (1998), Goed taalonderwijs door interactie. Leesgoed. 25(4), pp. 136-138.