Opdrachten
- Hoofdstuk 1
- Hoofdstuk 2
- Hoofdstuk 3
- Hoofdstuk 6
- Hoofdstuk 8
- Hoofdstuk 9
- Hoofdstuk 10
- Hoofdstuk 12
- Hoofdstuk 14
- Hoofdstuk 16, 27, 28
- Hoofdstuk 18
- Hoofdstuk 20, 21
- Hoofdstuk 22
- Hoofdstuk 23
- Hoofdstuk 24
- Hoofdstuk 25
- Hoofdstuk 26
- Hoofdstuk 29
- Hoofdstuk 32
- Hoofdstuk 34-37
- Hoofdstuk 39-42
- Hoofdstuk 47
- Hoofdstuk 54
- Hoofdstuk 66
Bekijk van de serie Buurman & Buurman de aflevering ‘Gym’. Vertel het filmpje na en gebruik daarbij het imperfectum.
Je kunt de volgende (werk)woorden gebruiken. Begin bijvoorbeeld zo: Buurman en Buurman zaten tv te kijken. Ze keken naar een turnwedstrijd. Opeens …
- (0:00-1:32): zitten – kijken – (het niet meer) doen – proberen – lukken – besluiten
- (1:33-2:20): zoeken – kunnen – (aan een trekveer) trekken – (van de muur) komen
- (2:21-3:56): vinden – nadoen – willen – zich afvragen – maken – kunnen
- (3:57-5:00): ontdekken – (de gordijnroede) kunnen gebruiken – hangen – optillen – (heel zwaar) zijn – kapotgaan – vallen – (een gat in de vloer) maken
- (5:01-6:16): bedenken – kunnen (gebruiken) – (de bal) raken – vallen – (iets op zijn hoofd) hebben – (op een schermer) lijken – gaan (schermen) – (uit het raam) vliegen
- (6:17-7:44): pakken – (een net) maken – (door het raam) vliegen – gaan (hoogspringen) – (niet hoog genoeg) komen – (een wip) maken – wachten – (op de wip) landen – (snel) gaan
- (7:45-eind): (het weer) doen – kunnen (sport kijken) – (het voor elkaar) hebben