77 puntjes op de i

Opdrachten

Maak de zinnen af met de gegeven woorden. Voeg ‘te’ of ‘om … te’ toe als dat nodig is.

1 Ik volg deze cursus . (mijn Nederlands verbeteren)
2 We hebben besloten . (naar New York op vakantie gaan)
3 Hij wil later . (kapper worden)
4 Ze moet bloed laten prikken . (kijken wat er aan de hand is)
5 Hij is van plan . (een wereldreis maken)
6 We zullen de volgende keer . (op tijd komen)
7 Ik vind het vervelend . (in de file staan)
8 Heb je de baan gekregen? Dat is goed ! (horen)
9 Je hoeft van hem , want hij is op vakantie. (geen snel antwoord verwachten)
10 Voor het examen probeer ik . (rustig blijven)
11 Mijn oma kan heel goed . (naar anderen luisteren)
12 Vergeet je niet mijn boek ? (meenemen)
13 Wat aardig van je . (haar helpen)
14 Durf jij een ballonvaart ? (maken)
15 We hebben afgesproken . (alleen Nederlands praten)