77 puntjes op de i

Opdrachten

Vul de goede vorm in van de werkwoorden van actie en positie: leggen, liggen, zetten, staan, hangen, zitten, doen, stoppen.

1 Je biertje op tafel.
2 De lepeltjes in de la.
3 De krant op de stoel.
4 Wil je de bloemen even in een vaas ?
5 Waar zijn mijn sokken? O, ze nog aan de waslijn.
6 Ik mijn auto altijd aan de overkant. Waar jouw auto?
7 Ik heb een euro nodig, maar er geen geld meer in mijn portemonnee.
8 Ik heb mijn fiets in de schuur .
9 je jas maar aan de kapstok.
10 Wat een lekkere soep! Wat er allemaal in?
11 Hij heeft de nieuwe planten op de vensterbank .
12 Wil je het tafelkleed even op tafel ?
13 Ik kan het blaadje niet in de map , want er geen gaatjes in.
14 Het papier is op. Ik zal even nieuw papier in de printer .
15 de sleutels maar in je jaszak, dan raak je ze niet kwijt.