Uitwerking
1 Je biertje staat op tafel.
2 De lepeltjes liggen in de la.
3 De krant ligt op de stoel.
4 Wil je de bloemen even in een vaas zetten?
5 Waar zijn mijn sokken? O, ze hangen nog aan de waslijn.
6 Ik zet mijn auto altijd aan de overkant. Waar staat jouw auto?
7 Ik heb een euro nodig, maar er zit geen geld meer in mijn portemonnee.
8 Ik heb mijn fiets in de schuur gezet.
9 Hang je jas maar aan de kapstok.
10 Wat een lekkere soep! Wat zit er allemaal in?
11 Hij heeft de nieuwe planten op de vensterbank gezet.
12 Wil je het tafelkleed even op tafel leggen?
13 Ik kan het blaadje niet in de map doen, want er zitten geen gaatjes in.
14 Het papier is op. Ik zal even nieuw papier in de printer doen.
15 Doe de sleutels maar in je jaszak, dan raak je ze niet kwijt.