77 puntjes op de i

Opdrachten

Vul de goede vorm in van het gegeven werkwoord. Voeg ‘te’ toe als dat nodig is. Als uit de zin niet blijkt welke tijd je moet kiezen, gebruik dan het presens.

Let op: bijna alle werkwoorden zijn separabel, maar niet allemaal!

1 Ik heb je al drie keer waarom ik te laat was. (uitleggen)
2 Je hoeft het niet nog een keer . (uitleggen)
3 De kopjes moeten nog worden, wil jij dat even doen? (afwassen)
4 Ik ben vergeten ze . (afwassen)
5 Als je het formulier nog niet hebt , kun je dat deze week nog doen. (invullen)
6 Hoe laat je morgen ? (aankomen)
7 Wil je me even laten weten hoe laat je precies ? (aankomen)
8 Ik heb erover , maar ik weet nog steeds niet wat ik moet doen. (nadenken)
9 Weet je niet wat dat woord betekent? het dan in een woordenboek. (opzoeken)
10 Het spijt me als ik je , maar het is niet anders. (teleurstellen)

11 Toen de soldaten geen wapens meer hadden, ze . (zich overgeven)
12 Toen hij te veel had gedronken, moest hij . (overgeven)
13 We hebben onze tuinmeubels , want we gaan verhuizen naar een huis zonder tuin. (weggeven)
14 ‘!’, riepen de kinderen tegen het monster onder hun bed. (weggaan)
15 Wie straks de prijs ? (uitreiken)
16 Hij klom op het podium om de prijs aan de winnaar. (uitreiken)
17 Ik heb er een hekel aan om met de trein, want ik ben altijd bang dat ik mijn aansluiting mis. (overstappen)
18 Zijn alle kandidaten gezakt? Hoe kan dat nou? Dat is nog nooit . (voorkomen)
19 Het de laatste tijd steeds vaker dat mijn opa dingen vergeet. (voorkomen)
20 Er worden stoplichten geplaatst om ongelukken te . (voorkomen)

21 Hij heeft zijn studie in drie jaar . (doorlopen)
22 We hebben heel hard om de trein te halen. (doorlopen)
23 Dat meisje altijd zo, vind je niet? (overdrijven)
24 Die wolken wel weer . (overdrijven)
25 Hoeveel geld jij per maand aan kleding? (uitgeven)
26 Ik ben niet van plan om dit weekend veel geld . (uitgeven)
27 het dat ik bel? (uitkomen)
28 Ik hoor graag wanneer het jou . (uitkomen)
29 Deze maand zijn nieuwe boek . (uitkomen)
30 Welke film kun je me ? (aanraden)

31 Ik je om meer te lezen. (aanraden)
32 Het wordt door de overheid om daarnaartoe te gaan. (afraden)
33 Ik dat we voortaan korter vergaderen. (voorstellen)
34 Ze heeft haar nieuwe vriend aan me . (voorstellen)
35 Hij heeft in zijn leven al heel wat . (meemaken)
36 Ik dat dat een grapje is. (aannemen)
37 Als je deze oefening hebt , mag je naar huis. (afmaken)
38 We een beetje op het programma, maar dat is niet zo erg. (achterlopen)
39 Wie haar taken nu zij met vakantie is? (overnemen)
40 Ik ben vergeten je boek , sorry. (meenemen)