77 puntjes op de i

Opdrachten

Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Gebruik de gegeven tijd.

1 Hij ; hij gaat toch mee op vakantie. (zich bedenken, perfectum)
2 jij voor kunst? (zich interesseren, presens)
3 Ik vind dat hij altijd zo . (zich aanstellen, presens)
4 Je moet niet zo aanstellen. (zich aanstellen, infinitief)
5 Volgens mij je al lang niet , klopt dat? (zich scheren, perfectum)
6 Ik of je je partner mag meenemen naar het feest. (zich afvragen, presens)
7 Pas op dat je niet aan die hete pan! (zich verbranden, presens)
8 Ik denk dat je . (zich vergissen, perfectum)
9 Je hoeft niet te hoor! Iedereen maakt weleens een foutje. (zich schamen, infinitief)
10 De docent en gaf per ongeluk zelf het antwoord. (zich verspreken, imperfectum)
11 Wij erover dat sommige mensen op slippers naar hun werk gaan. (zich verbazen, presens)
12 jullie ook zo aan dat geroddel? (zich ergeren, presens)
13 Vroeger ik er altijd op om weer naar school te gaan. (zich verheugen, imperfectum)
14 Toen ik dat hij jarig was, feliciteerde ik hem meteen. (zich realiseren, imperfectum)
15 Ik wil graag verder op het gebied van programmeren. Daarom ik al een tijdje in dit onderwerp. (zich ontwikkelen, infinitief – zich verdiepen, presens)
16 Als de oppas komt, Tibo altijd achter de gordijnen. (zich verstoppen, presens)
17 Ik er niet mee. (zich bemoeien, presens)
18 Toen hij wilde , hij . (zich wassen, infinitief – zich stoten, imperfectum)
19 Wist je dat kleine kinderen makkelijk in een druif kunnen ? (zich verslikken, infinitief)
20 je je docent Nederlands niet meer? (zich herinneren, presens)