Uitwerking
1 Als ik een hond had, zou ik niet in de stad willen wonen.
2 Zou u me even willen helpen?
3 Hij zal vast wel een baan vinden, daarvan ben ik overtuigd.
4 Heb je morgen een examen? Je zal wel zenuwachtig zijn!
5 Zal ik je even helpen?
6 Hij zou het aan zijn broer vragen, maar ik weet niet of hij dat al heeft gedaan.
7 Je zou die serie ook eens moeten kijken; die is echt goed!
8 Zou je het raam dicht willen doen?
9 Ik zou best eens mee willen doen aan een quiz op tv.
10 Zouden we morgen iets eerder naar huis mogen?
11 Zullen we samen een cadeautje geven?
12 Oké, ik stop al, ik zal je niet meer kietelen.
13 Je zal het maar hebben! Het lijkt me niet makkelijk om met zo’n handicap te leven.
14 Moet je kijken, wat een donkere wolken. Het zal zo wel gaan regenen.
15 Zou je niet eens wat aardiger tegen haar kunnen doen?