Uitwerking
1 Volgens mij is het niet nodig.
2 Ik ben benieuwd of het waar is.
3 Hoe warm wordt het morgen?
4 Wie is het best in verspringen?
5 Ik weet niet waarom het niet goed is.
6 Hij werkt het hardst van ons allemaal.
7 Ze zegt dat ze het niet weet.
8 Dan is het al te laat.
9 Marius praat het meest van de hele familie.
10 Je kunt het natuurlijk proberen.
11 Soms is het beter om niets te zeggen.
12 Mij lijkt het het leukst als iedereen meedoet.
13 Heeft zij het altijd druk?
14 Hij vroeg of je het warm hebt.
15 Ik geloof dat ze het heel leuk vindt.
16 Heeft hij het naar zijn zin in Italiƫ?
17 Daar ben ik het helemaal mee eens!
18 Ze kan het niet goed vinden met haar zus.
19 Wat doe jij het liefst in je vrije tijd?
20 Heb je gezien dat het heeft gesneeuwd?