Portaal

Hoofdstuk 9

De praktijkschets

Wat heeft het voorlezen van dit gedicht en het praten erover met taalbeschouwing te maken? Hier vind je verschillende antwoorden op deze vraag.

De taal in het gedicht ‘Wat praat je!’ bevat nogal wat zogenoemde straattaal: Mokro, chillen, matties, bradda, chappie, dis (van dissen), fokken, shoppa en doekoe. Een aantal van deze woorden (chillen, dissen, fokken) is al doorgedrongen tot het Standaardnederlands en opgenomen in de Dikke Van Dale. Met name door de komst van migranten naar Nederland is de taal de laatste decennia snel en vrij sterk veranderd, zeker onder jongeren. Straattaal kan soms dan ook jongerentaal genoemd worden of daartoe gerekend worden.

Straattaal, jongerentaal en taalverandering zijn alle onderdelen van taalbeschouwing en lenen zich goed om met leerlingen aan taalbeschouwing te doen, met name omdat jongeren hiervoor belangstelling hebben. Ook het op verschillende manieren voorlezen van een gedicht als dit, met of zonder bijbehorende intonatie en tongval, kun je rekenen tot taalbeschouwing.