Hoofdstuk 9
Methodeleerlijn
Hier vind je een voorbeeld van een leerlijn uit een methode waarin je de verschillende soorten taalbeschouwing duidelijk terugziet.
De leerlijn Taal verkennen van groep 4 is afkomstig uit de methode Taal actief (vierde versie).
-
In groep 4 onderscheiden we binnen de leerlijn Taal verkennen vier leerlijnen:
A. verkennen van tekens: leestekens, alfabet;
B. verkennen van woorden: woordbouw en woordsoorten;
C. verkennen van zinnen: woordgroepen, zinsbouw en zinstypen;
D. verkennen van taalgebruik: taalvarianten en taalverschijnselen
Hierna worden de inhouden van de verschillende leerlijnen opgesomd.
Verkennen van tekens
Deze leerlijn bestaat uit drie onderdelen.A. Kinderen leren betekenisdragende tekens.
3.1 Het verschil tussen klinkers en medeklinkers
4.3 Klankgroepen
4.4 Pictogrammen
B. Kinderen leren het alfabet.
1.4 Het alfabet akoestisch opzeggen
8.2 Alfabetische volgorde op eerste en tweede letter
C. Kinderen leren leestekens.
2.3 De punt
Verkennen van woorden
Deze leerlijn bestaat uit twee onderdelen.A. Kinderen leren woordsoorten herkennen.
1.1 Het zelfstandig naamwoord
1.2 Het lidwoord
2.1 Het werkwoord
3.2 Het bijvoeglijk naamwoord
7.4 Het voorzetsel
8.3 De eigennaam
8.4 Het zelfstandig naamwoord (met lidwoord)
B. Kinderen leren hoe woorden gevormd worden.
1.3 De samenstelling: zn + zn
2.4 Het verkleinwoordje: je, tje, pje
3.4 De samenstelling: ww + zn
6.3 Meervoud: en / sVerkennen van zinnen
Deze leerlijn bestaat uit drie onderdelen.A. Kinderen leren welke woordsoorten als woordgroep voorkomen in een zin.
1.2 De woordgroep: lidwoord en zelfstandig naamwoord
2.2 De woordgroep: lidwoord, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord
7.3 De woordgroep: lidwoord, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord
B. Kinderen leren hoe zinnen in elkaar zitten.
3.3 De basisstructuur: naamwoord en werkwoord
4.1 Wat is een zin: reeks woorden die samen iets betekenen
4.2 Vragen over een werkwoord (wie/wat)
5.1 Waar-delen toevoegen
5.2 Woorden weglaten waardoor de basisstructuur overblijft
6.1 Wanneer-delen toevoegen
6.2 Bij een werkwoord hoort altijd een wie-deel
7.1 Zinsdelen zijn verplaatsbaar
7.2 Zin uitbreiden met wie-, waar- en wanneer-deel
8.1 Zinnen bouwen met lidwoorden, bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden en
werkwoorden.
C. Kinderen leren soorten zinnen.
5.3 Vertelzin en vraagzinVerkennen van taalgebruik
Deze leerlijn bestaat uit twee onderdelen:A. Kinderen leren taalvarianten.
5.4 Beleefd en onbeleefd taalgebruik
B. Kinderen leren taalverschijnselen.
6.4 Tegenstellingen