Hoofdstuk 9
Visies op taalbeschouwing
Taalmethoden verschillen ook op het gebied van taalbeschouwing van elkaar. Hier vind je enkele kenmerkende verschillen en overeenkomsten.
Elke taalmethode heeft een leerlijn taalbeschouwing. De verschillen beginnen al bij de naamgeving. Enkele voorbeelden:
- Taal op maat: kijk op taal
- Taal actief: taal verkennen
- Taal in beeld: taalbeschouwing
- Staal: taal verkennen
Ook op het gebied van visie zijn er verschillen.
- Taal op maat breidt een aanbod van ‘traditionele grammatica’ (woordsoorten, zinsdelen, werkwoorden en interpunctie) uit met taalbeschouwelijke onderwerpen.
- Taal actief onderscheidt vier subdomeinen: verkennen van tekens (hoofdletters, leestekens en alfabet), woorden en werkwoorden (woordbouw en woordsoorten), zinnen (woordgroepen, zinsdelen, zinsbouw en zinstypen) en taalgebruik (taalvarianten en taalverschijnselen).
- Taal in beeld onderscheidt drie subdomeinen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. In groep 4 t/m 6 richt de methode zich op dezelfde inhouden, die concentrisch aan bod komen. In de bovenbouw richt de methode zich vooral op de traditionele grammatica.
- Staal onderscheidt twee onderdelen: taal (kijken naar taal en gebruiken van taal) en grammatica (woordsoorten, zinsdelen en leestekens).
Methodes hanteren een verschillend aanbod, waarbij de traditionele grammatica veelal centraal staat. Het aantal en de soorten zinsdelen die in methoden aan bod komen, lopen ook uiteen, evenals de volgorde waarin onderdelen worden behandeld.