Portaal

Hoofdstuk 9

Een andere vorm van inductief taalbeschouwingsonderwijs

Hier vind je een voorbeeld van ‘werken met de lus’, een populair model dat veel leerkrachten gebruiken. 

Taal kan aanleiding geven tot spel en inzicht. Vaak doen kinderen ontdekkingen en vinden ze andere voorbeelden bij deze ontdekking. Op dit principe is de ‘lus’ gebaseerd. Dekkers (1997) gebruikt een handige illustratie in zijn boek Onderwijs in taalbeschouwing.

We lichten dit model toe aan de hand van het voorbeeld ‘Mijn oma lijdt aan dimensie’.

Stap 1: Opmerken

Iemand merkt een taalverschijnsel op. Tom uit groep 7 zegt bijvoorbeeld: ‘Mijn oma lijdt aan dimensie.’ Andere kinderen lachen. De juf vraagt waarom er gelachen wordt. ‘Je zegt niet dimensie, maar dementie,’ weet iemand. Tom wist dat niet; hij dacht dat hij het woord goed gebruikt had. Dit is meteen een mooi startpunt voor taalbeschouwing. Dus zegt de juf: ‘Laten we eens een onderzoekje naar dit soort woorden doen.’

Stap 2: Andere voorbeelden noemen

In groepjes van vier noemen kinderen andere voorbeelden, telkens met een zin erbij. Bijvoorbeeld: ‘Hij lag de hele week in een komma (coma)’, ‘De dokter onderzocht mij met zijn horoscoop (stethoscoop)’, ‘Dat introduceert mij niet’, ‘Neemt u mij niet dadelijk’, ‘Ik heb een gespierde scheur’, ‘Hartelijk geteleviseerd’, ‘Wilt u mij even executeren?’ en ‘Ik spreek vloeibaar Nederlands’.

Stap 3: Voorbeelden vergelijken

We wisselen de voorbeelden uit en vergelijken de voorbeelden. Al snel ontstaan er drie rijtjes:

De spreker verspreekt zich expres (als grap)

De spreker verspreekt zich per ongeluk

De spreker heeft niet door dat hij het woord verkeerd gebruikt

  • Dat introduceert mij niet
  • Ik heb een gespierde scheur
  • Hartelijk geteleviseerd
  • Neemt u mij niet dadelijk
  • Ik spreek vloeibaar Nederlands
  • Hij lag de hele week in een komma
  • De dokter onderzocht mij met zijn horoscoop
  • Wilt u mij even executeren?

De klas besluit dat het dimensievoorbeeld in het derde rijtje thuishoort. Daarom vallen de andere twee rijtjes voor nu even af.

Stap 4: Regel formuleren

In groepjes en daarna klassikaal bedenken de kinderen een regel voor de woorden uit het derde rijtje. Bijvoorbeeld: ‘Je denkt dat je het goede woord gebruikt, maar het blijkt een ander bestaand woord te zijn dat lijkt op het juiste woord.’

Eventueel bedenkt de juf samen met de kinderen een woord voor dit soort versprekingen. Kinderen komen dan zelf met mooie vondsten, die al taalfrappanten op zichzelf zijn.

Stap 5: Regel vergelijken

De regel wordt toegepast op het voorbeeld van Tom met zijn dimensie-oma. Gaat de regel ook voor dit woord op? Zo ja, dan is de regel goedgekeurd en anders wordt de regel aangepast.

Literatuur

  • Dekkers, P. (1997). Onderwijs in taalbeschouwing. Baarn: Bekadidact.