Hoofdstuk 9
Zelf ontwerpen
Hier vind je twee checklists: één om een deductieve les te ontwerpen en één om een inductieve les te ontwerpen.
Een deductieve taalbeschouwingsles ontwerpen
Je krijgt van je mentor de volgende opdracht: behandel volgende week les XX uit de taalmethode. Je wilt hiervan een deductieve les maken. Hoe ga je te werk?
Voorbereiding van de les
In de voorbereiding denk je na over de leerinhoud en de didactiek.
1. Bekijk de les uit het leerlingenboek.
Leerinhoud
2. Vraag jezelf af: wat voor soort taalbeschouwingsonderwerp is het?
Bijvoorbeeld: zinsbouw, woordbouw, nadenken over taal, taalonderzoek.
Wat is het onderwerp?
Bijvoorbeeld: voorzetsels, reclametaal, samengestelde zinnen.
3. Wat is het lesdoel? Wat moeten de kinderen met het onderwerp?
4. Wat weet ik zelf van het onderwerp en doel? Wat zou ik meer moeten weten? Waar vind ik
deze extra informatie?
5. Wat is de zin van deze les? Wat hebben de kinderen aan deze kennis en/of vaardigheid? Hoe
kan ik kinderen voor deze inhoud motiveren?
Didactiek
6. Wat moeten de kinderen doen? Welke concrete handelingen/stappen moeten ze uitvoeren?
7. Welke problemen kunnen hierbij optreden?
8. Wat vind ik van deze aanpak?
9. Wat zou ik willen veranderen?
Taalvisie (interactief taalonderwijs)
10. Hoe betekenisvol is de les? Hoe maak ik de les betekenisvoller?
Uitvoering van de les
11. Maak de kinderen warm voor het onderwerp. Zorg voor een betekenisvolle opening.
12. Licht het onderwerp toe.
13. Geef voorbeelden.
14. Laat de kinderen oefenen met andere voorbeelden.
15. Kijk met kinderen na. Ben gericht op de denkwijze achter het antwoord. ‘Foute’ antwoorden leveren soms meer op dan ‘goede’ antwoorden.
16. Kijk met de kinderen terug op de les. Wat hebben ze geleerd? Wat kunnen/weten ze nu meer? Wat hebben ze hieraan?
Evaluatie van de les
17. Hoe verliep de les? Wat ging goed? Wat ging minder goed? Wat is meegevallen? Wat is
tegengevallen?
18. In welke mate heb je het lesdoel bereikt? Hoe weet je dat? Wat heeft ervoor gezorgd dat je
je doel wel/niet bereikt hebt?
19. Hoe betrokken waren de kinderen? Waar lag dat aan?
20. Wat zou een zinvolle vervolgles zijn?
Reflectie op de les
21. Welke kwaliteiten met betrekking tot taalinhouden én taaldidactiek heb je bij jezelf ontdekt?
22. Hoe planmatig werk je? Wat heb je aan je lesvoorbereiding gehad?
23. Hoe flexibel werk je? Hoe ben je tijdens de uitvoering omgegaan met onverwachte (= niet-
voorbereide) problemen?
24. Hoe staat het nu met je eigen taalkennis?
25. Wat zou je een volgende keer weer zo doen? Wat zou je anders doen?
Een inductieve taalbeschouwingsles ontwerpen
Je krijgt van je mentor de volgende opdracht: behandel volgende week les XX uit de taalmethode. Je wilt hiervan een inductieve les maken. Hoe ga je te werk?
Voorbereiding van de les
In de voorbereiding denk je na over de leerinhoud en de didactiek.
1. Bekijk de les uit het leerlingenboek.
Leerinhoud
2. Vraag jezelf af: wat voor soort taalbeschouwingsonderwerp is het?
Bijvoorbeeld: zinsbouw, woordbouw, nadenken over taal, taalonderzoek.
Wat is het onderwerp?
Bijvoorbeeld: voorzetsels, reclametaal, samengestelde zinnen.
3. Wat is het lesdoel? Wat moeten de kinderen met het onderwerp?
4. Wat weet ik zelf van het onderwerp en doel? Wat zou ik meer moeten weten? Waar vind ik
deze extra informatie?
5. Wat is de zin van deze les? Wat hebben de kinderen aan deze kennis en/of vaardigheid? Hoe
kan ik kinderen voor deze inhoud motiveren?
Taalvisie (interactief taalonderwijs)
6. Hoe betekenisvol is de les? Hoe maak ik de les betekenisvoller?
Inductieve didactiek
7. Wat is precies het uitdagende probleem achter dit onderwerp? Wat wil ik dat de kinderen
ontdekken?
8. Hoe maak ik hierbij een ‘tekst’ waarin het probleem verwerkt zit dat kinderen zelfstandig
kunnen ontdekken?
9. Welke andere ontdekkingen zijn relevant?
Uitvoering van de les
10. Introduceer het probleem.
11. Laat kinderen in groepjes het probleem ontdekken.
12. Laat ze het probleem oplossen.
13. Laat ze het probleem benoemen en een ‘regel’ formuleren.
14. Laat ze zelf andere voorbeelden bedenken.
15. Laat ze controleren of de voorbeelden aan hun eigen regel voldoen: moeten ze de regel
aanpassen of andere voorbeelden kiezen?
16. Laat elke groepje verslag uitbrengen.
17. Formuleer met de gehele klas conclusies.
18. Kijk met de kinderen terug op de les. Wat hebben ze geleerd? Wat kunnen/weten ze nu
meer? Wat hebben ze hieraan?
Evaluatie van de les
19. Hoe verliep de les? Wat ging goed? Wat ging minder goed? Wat is meegevallen? Wat is
tegengevallen?
20. In welke mate heb je het lesdoel bereikt? Hoe weet je dat? Wat heeft ervoor gezorgd dat je
je doel wel/niet bereikt hebt?
21. Hoe betrokken waren de kinderen? Waar lag dat aan?
22. Wat zou een zinvolle vervolgles zijn?
Reflectie op de les
23. Welke kwaliteiten met betrekking tot taalinhouden én taaldidactiek heb je bij jezelf ontdekt?
24. Hoe planmatig werk je? Wat heb je aan je lesvoorbereiding gehad?
25. Hoe flexibel werk je? Hoe ben je tijdens de uitvoering omgegaan met onverwachte (= niet-
voorbereide) problemen?
26. Hoe staat het nu met je eigen taalkennis?
27. Wat zou je een volgende keer weer zo doen? Wat zou je anders doen?