Hoofdstuk 9
Ver-woorden taalbeschouwing
Hier vind je een uitgewerkt voorbeeld waarin de leerkrachtvaardigheden toegepast worden op een taalbeschouwingsactiviteit voor jonge kinderen.
Vertrekken | De leerkracht selecteert de volgende taalbeschouwelijke doelen:
|
Verzamelen | De leerkracht kiest voor het prentenboek De Gruffalo van Julia Donaldson en Axel Scheffler. In dit boek komen verschillende rijmvormen voor en worden veel bijvoeglijke naamwoorden gebruikt die een versterkend effect hebben (pragmatisch). De bijvoeglijke naamwoorden staan veelal voor het zelfstandig naamwoord (formeel) en geven daaraan duidelijk kleur (semantisch). Soms is er sprake van alliteratie (formeel).
|
Verrijken | De leerkracht vindt op internet nog andere rijmvormen, zoals assonantie: klinkerrijm waarbij klinkers of tweeklanken worden herhaald (bonen en komen). Maar ze besluit hiermee niets te doen. Als kinderen het eindrijm en misschien zelfs ook het beginrijm herkennen, dan is dat al heel wat.
|
Verwonderen | De leerkracht leest de eerste pagina voor. In het donkere bos was een muisje op pad Zij geeft de eindrijmwoorden op regelniveau extra accent (de vette woorden). Zelf merkt zij ook de eindrijmwoorden op woordniveau op (de cursieve woorden).
Na het voorlezen van deze zinnen roept de leerkracht uit: Zo zeg! Dat klinkt mooi! Horen jullie dat ook? Sommige woorden klinken hetzelfde. Horen jullie dat ook? Dan leest de leerkracht het fragment nog eens voor.
|
Verbinden | De leerkracht vraagt: wie heeft ook gehoord dat sommige woorden hetzelfde klinken? Wie kan een voorbeeld noemen? En: hoe heet dat ook alweer, als twee woorden ongeveer hetzelfde klinken? De kans is groot dat een leerling het weet: rijmen!
|
Verstrekken | De leerkracht zegt: ik heb dit boek al gelezen en er zit heel veel rijm in! Zullen we eens luisteren?
|
Versterken | De leerkracht kan het taalbeschouwelijke proces ondersteunen via de strategie van analyseren. Welk woord hoor je aan het einde van deze zin?
|
Verwoorden | Tijdens het verder voorlezen van het verhaal accentueert de leerkracht telkens het eindrijm. Eventueel kan ze het begrip ook gebruiken: ‘Luister, ook hier horen we eindrijm. Dat is als het laatste woord van de zin rijmt op het laatste woord van de vorige zin.’
|
Verankeren | Tijdens andere activiteiten op die dag en de dagen erna kiest de leerkracht er bewust voor om zinnetjes met eindrijm te gebruiken, telkens met een dikke knipoog naar de leerlingen. ‘Wie hoort wat er zo bijzonder is aan deze twee zinnen?’
|
Verbreden | Als de meeste leerlingen dit eindrijm onder de knie hebben, kan de leerkracht ook de woorden met beginrijm accentueren, bijvoorbeeld in het zinnetje: ‘Knarsende kaken die alles kauwen!’
|