Portaal

Hoofdstuk 9

Taalopdrachten

Hier vind je nog meer van dergelijke deductieve taalopdrachten. 

Taalpraatje: Voetbalbal

Janneke en Deria gaan samen voetballen.

Deria: ‘Heb jij een voetbal?’
Janneke: ‘Ja, wel drie. (Denkt dan even na.) Eigenlijk is voetbal een vreemd woord.’

Deria: ‘Hoezo?’

Janneke: ‘Bij de sport hockey gebruik je een hockeybal. Een hockeybal is dus een bal om mee te hockeyen. Toch? ’

Deria: ‘Klopt.’

Janneke: ‘Dan gebruik je bij de sport voetbal dus een voetbalbal. Een bal om mee te voetballen.’

  1. Wat vind jij van Jannekes gedachten over de voetbalbal?
  2. Zijn er nog meer sporten met ‘balballen’? Denk aan sporten als tennissen, basketbal, enzovoort.

Taalspel: Wat een haansnoes!

Hieronder staat een tekst met vreemde woorden.

De nerkel
Floor en haar vader zitten samen op het raster.

De nerkel vraagt wat we willen drinken.
‘Doet u mij maar de wijnhuis,’ zegt vader.

En u, jongedame?
Ik lust wel gewoon waterkraan, zegt Floor.
Waterkraan? Jij bent wel een neuswijs! Zegt haar vader.
‘Een blikogen, ik ben zo weer ugter,’ zegt de ober.

Wat een vreemde haansnoes, vindt Floor. Hij praat zo vreemd.

  1. Wat valt je op aan deze woorden?
  2. Hoe zou jij dergelijke woorden noemen?
  3. Maak ook een klein verhaaltje met zulke woorden.

Taalspel: Grappige schrijversnamen

Michel en Nathalie houden wel van een spelletje. Kijk maar.

Michel: ‘Ik noem de titel van een boek dat niet bestaat: De rotte bananenschil. Wie zou dit boek geschreven hebben?’

Nathalie: ‘Ik denk … Janus Glijuit.’
Michel: ‘Die is grappig. Of Viktor Valtom.’
Nathalie: ‘Die vind ik ook grappig!’

  • Bedenk nu zelf een grappige naam voor de schrijvers van de volgende boeken:De kapotte ruit.
    • De langdurige hagelbui.
    • De spannende taalles.
    • De pittige maaltijd.
  • Het grote kinderfeest.Bedenk nu zelf enkele titels van boeken én bedenk ook weer een grappige naam voor de schrijver.

Taalweetje: Bijendans

Mensen communiceren de hele dag. Dat wil zeggen dat ze elkaar informatie geven. Bijvoorbeeld door met elkaar te praten. Maar ook dieren kunnen met elkaar communiceren.

Neem bijvoorbeeld bijen. Als een bij een nieuwe voedselplaats heeft ontdekt, dan keert ze meteen terug naar de korf. Daar begint de bij te dansen. Alle andere bijen komen dan meteen kijken. Ze kijken goed naar de dans, want aan de dans kunnen ze onder andere zien of de nieuwe voedselplaats dichtbij is, wat verder weg is of veel verder is.

Het blijkt dus dat bijen drie verschillende dansen hebben. Zo geven ze elkaar informatie, zonder te praten. Dat is wel een heel rustige communicatie!

Taalvraag: Spreek uit!

Seina is een meisje dat vol vragen zit. Ook vragen over taal. Vandaag wil ze wat weten over hardop voorlezen.

Vraag: ‘Moet je altijd alle letters van een woord uitspreken?’

Antwoord:   ‘Nee! Heel vaak spreek je de letter n aan het einde van een woord niet uit. Zeg de volgende zin maar eens hardop: Ik heb een negen gekregen voor rekenen.’

  1. Deze zin heeft vier woorden die eindigen op een -n. Bij welke woorden spreek je deze -n wel uit en bij welke niet?
  2. Er zijn nog andere letters die we ook niet altijd uitspreken. Denk maar eens aan de volgende woorden: zakdoek en ontbijt. Welke letters spreek je niet uit?
  3. Kun je nog andere woorden bedenken waarin je bepaalde letters niet uitspreekt?

Taallab: Het klopt altijd

Kloppen betekent achter elkaar een aantal slagen ergens op geven. Welke van de volgende woorden kun jij voor het woord kloppen zetten, zodat er een nieuw, goed woord ontstaat?

aan – af – vol - los – op – mee - uit – vast – door – plat

Schrijf alle woorden op die je zo kunt maken. Maak met elk woord een zin waaruit blijkt wat het woord betekent. Voorbeeld:

Luuk wilde naar binnen. Hij bleef maar aankloppen.

Taalbouwplaats: Spannende zinnen

Hierna staan gewone zinnen. Probeer ze zo spannend mogelijk te maken. Je mag: woorden weglaten – woorden toevoegen – woorden vervangen

  • De man liep door de straat.
  • Het kind hoorde een geluid achter de deur.
  • Het schip voer over de golven.

Welke woorden heb je weggelaten? Wat was het effect hiervan?
Welke woorden heb je toegevoegd? Wat was het effect hiervan?
Welke woorden heb je vervangen door een ander woord? Met welk effect?

Combinatierecept: Betalen!

  • Deria en Janneke praten over geld.
  • Deria: Jij moet mij betalen, weet je nog?
  • Janneke: Goed. Wat wil je leren, Frans, Duits of Engels?
  • Deria: Hoezo? Ik krijg nog vijf euro van je!
  • Janneke: Nee, je vraagt of ik je wil be-talen. Net zoals beplanten betekent ‘van planten voorzien’, kan betalen dus betekenen ‘van talen voorzien’.
  • Deria: Wat ben je toch weer heerlijk aan het Janneken!
  1. Wat vind jij van Jannekes redenering?
  2. Wat betekent het voorvoegsel be- eigenlijk? Hieronder staan verschillende be-woorden. Probeer de verschillende betekenissen van be- duidelijk te krijgen. Maak rijtjes van be-woorden die bij elkaar horen. Gebruik gerust een woordenboek.
    • bemensen – beleven – bevallen – beschermen – berekenen – beschuit – beramen – bestrooien – bepraten – bespreken – berichten – betegelen – besmeuren - beschilderen
  3. Bedenk zelf ook enkele andere be-woorden en zet die in het juiste rijtje.
  4. Zie je trouwens dat Deria een nieuw werkwoord bedacht heeft? Janneken! Wat betekent dit werkwoord volgens jou?
  5. Het werkwoord janneken komt natuurlijk van de naam Janneke. Op deze manier kun je ook zelf werkwoorden bedenken. Denk aan een vriend(in). Welke typische eigenschap heeft hij/zij? Maak vervolgens een werkwoord van haar/zijn naam. Laat daarna anderen eens raden wat dit nieuwe werkwoord betekent.