Hoofdstuk 9
Meer taalbeschouwing!
Hier vind je meer voorbeelden van taalbeschouwingsonderwijs voor jonge kinderen.
In tegenstelling tot wat sommigen misschien denken, is taalbeschouwing met jonge kinderen makkelijker dan met oudere kinderen. Bij het jonge kind heerst nog de spontane verwondering over wat taal is en kan. Dat begint al vroeg als een kind tot de ontdekking komt dat je met behulp van taal, hoe eenvoudig ook, veel meer bereikt dan alleen met wijzen in combinatie met onbegrijpelijke klankenreeksen. Kleuters reageren spontaan op de taal van leeftijdsgenoten en opvoeders. Ze vragen niet alleen naar de bekende weg, maar ook naar tal van onbekende, nog niet belopen wegen. Het woord ‘waarom’ ligt jonge kinderen in de mond bestorven.
‘Je bent een Wrombeer, Robin,’ zegt papa. ‘Waarom, waarom, wrom, wrom, wrom …’
‘Wrom?’ vraagt Robin.
‘Je bent een Wrombeer van de gevaarlijkste soort,’ zegt papa.
‘Wrom?’ vraagt Robin.
Bron: Kuyper, 1994
Voor de leerkracht is het dus appeltje-eitje om gebruik te maken van die nog ongerepte belangstelling voor alles wat taal te maken heeft. De voorbeelden liggen in de praktijk van alledag voor het oprapen. Met andere woorden: als leerkracht doen we zo veel mogelijk aan impliciete taalbeschouwing. We nemen elke gelegenheid te baat om die onuitputtelijke bron van verwondering voor taal te gebruiken voor onmiddellijke actie.
In de groepen 1 tot en met 3 moet de leerkracht ook uitlokken. Daar staat als het om expliciete taalbeschouwing gaat geen straf op. Integendeel. Het siert de leerkracht die in een kleutergroep een bepaald (prenten)boek niet alleen uitzoekt op grond van het aantrekkelijke verhaal of de esthetische illustraties, maar vooral vanwege de mogelijkheden die het boek biedt voor taalbeschouwing.
Het prentenboek Wachten op Matroos van Ingrid Godon, met tekst van André Sollie, kreeg in 2001 de Gouden Griffel voor het beste kinderboek. Dat zal een bekroning geweest zijn voor het geheel van prenten en tekst die over de diepe vriendschap gaat tussen vuurtorenwachter Tijs en Matroos, ‘die is gaan varen’. Het is een mooi boek dat in de verte doet denken aan het beroemde toneelstuk Wachten op Godot van Samuel Beckett. Het boek biedt echter ook genoeg mogelijkheden voor expliciete taalbeschouwing.
Tijs heeft geen tijd voor boodschappen: ‘Hij moet uitkijken over het water.’ ‘Maar Tijs kijkt vooral uit naar Matroos.’ Dit figuurlijke ‘uitkijken naar’ zullen veel jonge kinderen (nog) niet kennen. Tijd om daar tijdens of na het voorlezen aandacht aan te besteden: uitkijken naar je verjaardag, een feestje, de vakantie.
Postbode Felix gilt door het gekrijs van Meeuw heen: ‘Je bent morgen jarig.’ Maar dat was Tijs helemaal vergeten, omdat hij ‘met zijn hoofd in de wolken’ is. Hij denkt dat Matroos op zijn verjaardag zal terugkomen. Vooral kleuters vatten figuurlijk taalgebruik nog letterlijk op. Met je hoofd in de wolken zijn, de wind die is gaan liggen, de wind die zijn woorden meeneemt, de ochtend die al een beetje in de lucht hangt: allemaal figuurlijk taalgebruik in dit prentenboek waar de leerkracht zijn taalbeschouwelijke competenties op kan botvieren.
Is Toon Tellegen raar? Zijn zijn verhaaltjes raar? Best kans dat sommige leerkrachten zullen aarzelen om eraan te beginnen. In het juryrapport bij de Gouden Griffel 1994 (voor Bijna iedereen kon omvallen) staat onder meer: ‘ “Verwondering” is het kernwoord, zonder dat het begrip als zodanig wordt uitgesproken. Daarmee begint elk verhaal en daarmee eindigt het in de meeste gevallen ook. Daaraan ontlenen de verhalen naar het oordeel van de jury ook hun grote – literaire – waarde.’
En het is juist die verwondering waar de leerkracht gebruik van kan maken:
‘Springen,’ zei de slak, ‘ligt mij niet.’
‘Nee,’ zei de schildpad. ‘Mij ook niet. Ik hou meer van wonen.’
‘Ik ook,’ zei de slak. ‘Ik krijg nooit genoeg van wonen.’
Bron: Tellegen, T. Misschien waren zij nergens
Bij zo’n voorbeeld zou de leerkracht goed de werkvorm het taalpraatje kunnen hanteren. Slak en schildpad denken op een bijzondere manier na over taal en praten daarover met elkaar. Zoals kinderen zelf ook weleens doen.
Een andere werkvorm is het taalspel. In het prentenboek Moeder! Van Kim Fupz Aakeson schaamt de ik-figuur zich zo voor zijn erg dikke moeder dat hij naar de nieuwe buurvrouw gaat:
‘Eh, zeg ik. Wilt u niet misschien een leuk jongetje hebben, zoals ik?’
Maar dan blijkt dat hij te veel moeite heeft om de buurvrouw ook ‘moeder’ te noemen.
‘Zo, zegt ze. Nu moet je zeggen: dat was lekker moeder.’ ‘Ja, zeg ik. Het was lekker moes.’ ‘Pardon,’ zegt ze. Wat zei je daar? Moes?’ ‘Ik vergiste me,’ zeg ik. ‘Ik zal het nu goed zeggen: het was heel lekker mossel, nee, het was lekker map, nee … het was lekker matras …’ ( …) ‘M-m-marokko,’ zeg ik. ‘M-m-mo-modder, m-m-muiltje, m-m-muesli, m-makreel, m-mandarijn, m-mossel, moed, min, magneet …’
Van dit soort taalspel smullen kinderen en ze zullen allerlei andere soortgelijke taalspelletjes gaan bedenken met of zonder hulp van de leerkracht.
Onder de werkvorm taallab kunnen we het maken van nieuwe woorden of woordvormen laten vallen, maar ook het rijmen. In het prentenboek Mol en Hond van Jet Boeke (bekend van haar Dikkie Dik-boeken) helpen Mol en Hond andere dieren met het oversteken van een gevaarlijke weg. Ze maken een bord voor de dieren: ‘Onder of boven de grond. Kun je mee met Mol of Hond.’
Het aantal boeken voor het jonge kind met rijm- en dichtwerk is groot en gevarieerd. Er zijn volop mogelijkheden om kinderen uit te dagen zelf met rijm aan de gang te gaan en zo in het eigen taallaboratorium te experimenteren met deze bijzondere vorm van taal.
Literatuur
- Kuyper, S. (1994). Robin op school. Amsterdam: Leopold.
- Godon, I. & Sollie, A (2015). Wachten op Matroos. Amsterdam: Querido.
- Fupz Aakeson, K. (…). Moeder! Amsterdam: Singel Uitgevers.
- Boeke, J. (1991). Mol en Hond. Houten: Uniekboek | Het spectrum.
- Tellegen, T. (1997). Misschien waren zij nergens. Amsterdam: Querido.