Uitwerking
1 Wat is er aan de hand?
2 Wie wil er wat drinken?
3 Kun je me zeggen wat er precies gebeurd is?
4 Wie zijn er allemaal bij betrokken?
5 Ik zal er volgende week op terugkomen.
6 Hij moet er nog even over nadenken.
7 Dat doet er niet toe.
8 Hij is zich er niet van bewust dat hij snurkt.
9 Ik kan me er niet toe zetten.
10 Ik heb er geen problemen mee.
11 Heb jij er misschien verstand van?
12 Ze is het er niet mee eens.
13 We hebben het er vorige week over gehad.
14 Hij trekt zich er niets van aan.