Hoofdstuk 12
De praktijkschets
Hier gaan we in op de vraag welke aspecten van deze lessenserie van juf Linda gunstig zijn voor leerlingen die het Nederlands nog aan het leren zijn.
Welke aspecten van deze lessenserie zijn gunstig voor kinderen die het Nederlands nog aan het leren zijn?
In de eerste plaats biedt juf Linda extra achtergrondkennis aan over archeologie door middel van een filmpje. Bovendien past dit onderwerp in een groter thema, dus er is verband met eerder aangeboden kennis.
Daarnaast geeft juf Linda de betekenis van zes nieuwe woorden die in de te lezen tekst voorkomen. Dit doet ze zowel met een praatplaat als met losse woordkaarten. Ze heeft dus visuele context geleverd. Hierdoor en door de uitleg van de betekenis is het voor de kinderen makkelijker de tekst straks te begrijpen.
De visuele context blijft niet beperkt tot platen, want juf Linda gaat door middel van de zandtafel uitbeelden wat archeologie inhoudt en laat voorwerpen en handelingen zien om dit te verduidelijken. Daarbij breidt ze de woordenschat uit met weer nieuwe woorden (opgraving, skelet, botjes). Hierdoor kunnen de kinderen het woord ‘archeologie’ verder inhoud geven.
Welke taalverwervende elementen heeft zij in de lessen ingebouwd?
De taalverwervende elementen betreffen in de eerste plaats het geven van uitleg bij nieuwe woorden. De verheldering van de betekenis vindt bovendien in verschillende contexten plaats: woordplaten, handeling bij de zandtafel, filmpje, interviewspel en het verklarend woordenlijstje bij de te lezen tekst. Hierdoor zorgt juf Linda ervoor dat de kinderen de woorden begrijpen én onthouden en zo vergroot ze hun woordenschat.
Alles wat voorafgaat aan het lezen van de tekst (uitleg woorden, filmpje, zandtafel, interviewspel) maakt het voor de kinderen makkelijker de tekst zelf te begrijpen. Daardoor is ook het lezen van de tekst bevorderend voor de taalverwerving. Ze kunnen immers, nu ze de tekst begrijpen, nieuwe woorden en zinsconstructies die ze in de tekst tegenkomen aan hun taalkennis toevoegen. Dit alles onder de voorwaarde dat de woorden, het filmpje en de activiteiten (zandtafel, interviewspel) aansluiten bij de tekst.
Welke opbouw zie je in deze aanpak met betrekking tot het leren van nieuwe woorden?
In de opbouw zijn de volgende fasen te onderscheiden:
- Juf Linda biedt de nieuwe woorden die met de tekst te maken hebben eerst los aan met behulp van woordkaarten en een praatplaat en verheldert de betekenis. Daarna komen de woorden voor in het filmpje, dat wil zeggen in een bewegende visuele context. De betekenis van de woorden wordt nogmaals verhelderd bij de zandtafel door middel van voorwerpen en handelingen. In deze fase gaat het erom dat de leerlingen duidelijk voor ogen krijgen wat de betekenis van de losse woorden inhoudt. Ze zijn bezig met het begrip van de woorden.
- Vervolgens komen de woorden ook in de tekst voor. De kinderen lezen de tekst en herkennen de nieuwe woorden. Het lijstje met de betekenis houden ze erbij. Ook hierbij gaat het om begrijpen van woorden, maar dan in de context van een zaakvaktekst. De kinderen zien de woorden dus in zinsverband en leren daardoor meer over hun functie in de zin en hun betekenis in de context van de tekst.
- Daarna maken ze een woordmuur, waarbij de woorden weer genoemd worden. De kinderen hebben hierbij meer inbreng; ze zijn dus actiever met de woorden bezig. Dit is gunstig voor het onthouden van de woorden.
- Bij de oefeningen vindt herhaling van de woorden plaats. Het hangt van de vorm van de oefeningen af in hoeverre de kinderen productief dan wel alleen receptief de betekenis van de woorden verwerven. De herhaling van de woorden is belangrijk voor het opslaan in het geheugen. Zonder herhaling zullen de kinderen de woorden snel weer vergeten.
- Bij de afsluiting van het onderwerp overhoren de kinderen elkaar de woorden. Dit kan in de vorm van een spel of door middel van coöperatieve werkvormen. Dit betreft de evaluatie: wat is er blijven hangen? Welke woorden hebben de kinderen goed onthouden en met welke hebben ze nog moeite? Deze fase is belangrijk om de effectiviteit van de lessen te evalueren.
De opbouw laat zien dat er van de kinderen eerst veel begrip gevraagd wordt en dat ze daarna steeds actiever met de woorden aan de slag gaan: ze moeten ze zelf gebruiken en ten slotte ook bij elkaar navragen.
Welke rol speelt het ‘interviewspel’ binnen het geheel?
Bij het interviewspel kunnen de kinderen de nieuwe kennis zelf toepassen. Ze stellen elkaar vragen en moeten die beantwoorden met behulp van de woorden die ze net hebben geleerd. Hierdoor oefenen ze met de taal in een ongedwongen en ‘echte’ situatie.
Welke taalondersteuning kan de leerkracht hierbij geven?
In het interviewspel moeten dekinderen zelf de nieuwe woorden gebruiken. Het kan natuurlijk voorkomen dat dit nog niet zo goed gaat. De leerkracht kan dan ondersteunen door de woorden duidelijk zichtbaar op te hangen. Als hij aarzelingen opmerkt of haperingen bij het spreken, kan hij wijzen op de woordenlijst. Ook kan hij kinderen ondersteunen door moeilijke zinnen te modelen of bij herhaalde fouten impliciete feedback te geven. Dan zegt hij het voor als hij merkt dat een bepaalde zin voor de kinderen nog moeizaam gaat. Veelvoorkomende vragen in het interview kan hij voorbereiden met de kinderen en ook op het bord schrijven, zodat de kinderen daarop bij twijfel kunnen terugvallen.
Na afloop kan de leerkracht ingaan op bepaalde woorden of zinnen die alle kinderen misschien moeilijk hebben gevonden en die even kort nalopen. Directe feedback is namelijk het meest effectief om te voorkomen dat fouten inslijpen.
Met een dergelijke ondersteuning houdt de leerkracht er rekening mee dat het voor tweedetaalleerders extra moeilijk is nieuwe woorden meteen in hun eigen taalgebruik toe te passen.