Portaal

Hoofdstuk 12

Fasen in de tweedetaalverwerving

De lestijd kan op verschillende manieren verruimd worden. Hier zijn een paar voorbeelden van verlengde lestijd uitgewerkt.

Ken je in je stageklas of in je eigen omgeving kinderen in verschillende fasen van taalverwerving? Ga na in welke fase ze zich bevinden en waaraan je dat kunt merken. Knoop eventueel een gesprekje aan met het kind om te bekijken wat het begrijpt en nog niet begrijpt.

Hierna geven we een meer gedetailleerdere beschrijving van de fasen van de tweedetaalverwerving. Het is ook mogelijk om meer fasen te onderscheiden, maar ter wille van de eenvoud hebben we het gelaten bij deze vijf.

1. Absolute beginners

De leerling spreekt nog geen Nederlands. Meestal hebben we het dan over de ‘stille periode’. De leerling begrijpt nog weinig Nederlands, maar naarmate hij verder komt, leert hij meer woorden begrijpen en zal dan ook voorwerpen kunnen aanwijzen, zoals de tafel, de stoel en dergelijke.

Het is van belang de kinderen in deze periode bij alles te betrekken. Hoe meer het kind bij activiteiten meedoet, des te eerder zal het nieuwe woorden begrijpen. In deze fase is een goed en duidelijk taalaanbod van de leerkracht van groot belang: goed gearticuleerd spreken in een laag tempo zal het kind helpen bij de verwerving van de eerste woorden. Nieuwe woorden moeten heel vaak herhaald worden. De stille periode mag niet te lang duren. Als een kind maandenlang niet spreekt, moet er beslist extra aandacht aan de taalverwerving besteed worden.

2. Beginners

De grens met deze fase is moeilijk te bepalen. We kunnen stellen dat beginners een passieve woordenschat van 500 tot 1000 woorden hebben, maar er is ook wat voor te zeggen om kinderen die niet meer dan 1500 tot 2000 woorden beheersen nog tot de beginners te rekenen. De leerling kan nu dingen, mensen en handelingen benoemen, maar uit zich meestal in korte zinnen die niet meer dan drie tot vier woorden omvatten. Er is nog weinig morfologie, dus het werkwoord wordt niet vervoegd en meervouden ontbreken nog. De leerkracht kan hierop reageren door de volledige zin steeds goed ‘terug te geven’.

Voorbeeld: ‘Ik ziek. Dokter gaan. Ik pil. Morgen weer dokter.’

3. Half gevorderden

De leerling kan korte zinnen formuleren, maar niet foutloos. Omdat nu werkwoorden worden vervoegd, zullen er meer fouten gemaakt worden. Ook de woordvolgorde zal nog niet correct zijn. De leerling heeft een grotere woordenschat opgebouwd. We kunnen de half gevorderden zien als kinderen die 1000 tot 2500 woorden kennen, maar we kunnen ook de grens iets ruimer nemen en kinderen met een woordenschat van 1500 tot 3000 tot de half gevorderden rekenen. Het kind verwerft nu ook meer bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden.

Het is belangrijk de fouten te zien als ontwikkelingsstappen en zo veel mogelijk correcte taal aan te bieden. De fouten mogen niet inslijpen, dus de leerkracht ‘modelt’ de goede zin. Ook de woordkeuze is niet altijd correct, gerichte feedback is daarom van belang.

Voorbeeld: ‘Ik ziek. Ik ga naar ziekenhuis. Dokter geeft pillen. Die pillen is goed voor mij. Morgen ik ga weer naar dokter.’

4. Gevorderden

De leerling kan zelfstandig langere zinnen formuleren, maar maakt nog fouten, vooral in de vervoeging van verleden tijden, zinsvolgorde en bijzondere meervouden. Net als in fase 3 is het van belang de fouten te zien als ontwikkelingsstappen. Het kind probeert langere zinnen te maken en zal er niet altijd uitkomen zonder steun. De leerkracht zal daarom steeds ondersteuning bieden in de vorm van feedback en ‘modelen’. Ook navragen wat het kind bedoelt, helpt bij het juist formuleren.

De woordenschat groeit verder en omvat nu ook meer andere woordsoorten, zoals voegwoorden en voornaamwoorden. De omvang zal misschien tussen 3000 en 5000 woorden liggen.

Voorbeeld: ‘Ik geweest naar ziekenhuis, omdat ik pijn in mij maag. De dokter gegeven medicijn voor mij. De dokter heeft gezegd: morgen ik moet terugkomen.’

5. Benadering van het niveau van moedertaalsprekers

In de volgende fase groeit het taalniveau van het kind toe naar dat van de moedertaalspreker, maar we moeten bedenken dat de individuele verschillen in deze fase toenemen. Het is daarom niet zinvol hier voorbeelden te geven. Sommige kinderen leggen zich meer toe op het leren van veel woorden, terwijl andere tweedetaalleerders zich meer richten op het beheersen van de regels. In ieder geval zullen ze de verleden tijd van werkwoorden steeds meer beheersen, al zullen er nog veel fouten gemaakt worden. Ook de zinnen worden langer en voegwoorden en bijwoorden worden met meer gemak gehanteerd.

De kinderen bouwen hun woordenschat verder uit, zowel in omvang (meer dan 5000/6000 woorden) als in kwaliteit: ze leren meer betekenissen per woord, meer abstracte woorden en woorden die nuances aangeven en leren ook figuurlijke taal begrijpen.

In deze fasen is vooral de ontwikkeling van de productieve taal (het spreken) weergegeven. We veronderstellen dat het begrijpen van de taal, dus de receptieve taalverwerving, steeds iets voorloopt op het spreken.