Hoofdstuk 12
Vragen over het lieveheersbeestje
Bekijk hier het tekstje dat een tweedetaalleerder, een Braziliaans meisje met Portugees als moedertaal, maakte op 6-jarige leeftijd. Met welke Nederlandse taalklanken heeft ze nog moeite? Hoe kunnen we tweedetaalleerders ondersteunen bij het leren van de Nederlandse taalklanken?
d liversbeitje vasch eliv
sewasblaai seprimt enselact ensmeit fendboum apls
ensaheit anita ensewas6iar
aind
De lieveheersbeestje was heel lief.
Ze was blij. Ze springt en ze lacht en ze smijt van de boom appels.
En ze heet Anita en ze was 6 jaar.
Eind.
- Het meisje schrijft liv en neemt dus aan dat /i/ staat voor /ie/. Dit kan erop wijzen dat ze het onderscheid tussen /i/ en /ie/ niet hoort, onder invloed van het feit dat het Portugees geen /i/ kent zoals in pit, maar alleen /ie/ zoals in lief.
- Bedenk dat het Portugees ook het onderscheid tussen onze /w/ en /v/ niet kent, wat verklaart dat ze vasch schrijft waar ze was bedoelt. Daartegen pleit dat ze wel sewasblaai en ensewas6iar schrijft. Dus misschien hoort ze het onderscheid soms wel en soms niet.
- Ze schrijft vascvh eliv dus met -sch aan het eind. Het is niet duidelijk of ze dit schrijft omdat ze aan het eind van het woord /s/ niet scherp genoeg heeft gehoord of omdat ze niet hoort dat heel lief twee woorden zijn. Ze schrijft immers eliv als één woord. Dit geeft weer dat voor tweetalige kinderen de grenzen tussen de Nederlandse woorden nog best moeilijk te horen zijn.
Spreek de volgende Engelse woorden uit:
- love
- enough
- but
- rough
Wat is het onderscheid tussen de klinker in love en die in but? Lijkt de klinker in rough meer op onze korte /a/ of meer op onze /o/? En wat kun je zeggen van de klinkers in enough? Kent het Nederlands de klinker die je in love hoort of zit hij tussen Nederlandse klinkers in? Tussen welke, volgens jou?
Uit het bovenstaande komt naar voren dat het nog niet zo eenvoudig is om te bepalen welke taalklanken in een andere taal betekenisonderscheidend zijn als die klanken lijken op de klanken die in je eerste taal voorkomen. Je denkt dat je de taalklanken allemaal goed hoort, maar de subtiele verschillen kunnen je ontgaan.
Ondersteuning bij het leren van de Nederlandse taalklanken
De leerkracht kan jonge tweedetaalleerders in korte activiteiten de klanken van het Nederlands duidelijk aanbieden en laten horen waar de verschillen zitten. Vooral het contrast tussen twee klanken die in hun eigen moedertaal misschien niet onderscheiden worden, is van belang. Voor Nederlandssprekende kleuters hoeft dit minder uitgebreid te worden aangeboden, aangezien zij de verschillen tussen de klanken al herkennen.
Hier is een voorbeeld uitgewerkt voor het verschil tussen de klanken /e/ en /i/.
- De leerkracht laat twee voorwerpen zien, een pet en een appel. Ze toont de pet en herhaalt het woord enige keren. Vervolgens snijdt ze de appel door en ze wijst de kinderen op de pitten. De pitten worden herhaaldelijk benoemd. Daarna krijgen de leerlingen een plaatje van een pet en een plaatje van een pit te zien. Op beide plaatjes staat ook het woord en de klinker is onderstreept. De leerkracht legt beide plaatjes op de tafel in het midden van de kring, zodanig dat de kinderen ze goed kunnen zien. Ze benoemt nog eens de woorden en legt daarbij veel nadruk op de klinker. Bij het uitspreken wijst ze de leerlingen op haar mond, zodat ze ook zo veel mogelijk de uitspraak kunnen afzien.* Ze nodigt ze uit de woorden na te zeggen. Daarbij wijst ze de kinderen op de klinker in het geschreven woord.
- De leerkracht heeft ook plaatjes van de volgende woorden: step, stip, vest, vis, schep, schip, mes, kist, bed, stift. (Andere mogelijkheden zijn: bel, bil, rek, rits, tellen, tillen. Voor de voorbeeldplaatjes neemt de leerkracht duidelijk af te beelden woorden.) Ook op deze plaatjes staan de woorden erbij met de klinker onderstreept. Ze laat steeds een plaatje zien, benoemt het woord en wijst op de klinker. Ze legt dan het plaatje bij de pet of bij de pit, naar gelang de klinker een /e/ is of een /i/.
- Daarna nodigt ze de kinderen uit de woorden na te zeggen. Eerst de rij met de /e/ en daarna de rij met de /i/, waarbij steeds de klinker aangewezen wordt. Vervolgens laat de leerkracht ook steeds per tweetal het contrast horen tussen de /e/ en de /i/. Ze wijst dan bijvoorbeeld op step en stip en herhaalt nog eens de woorden en de klinker: ‘Dit is de step, step. Je hoort: e. Dit is de stip, stip. Je hoort: i.’
- Dan mogen de leerlingen raden wat ze horen: een /e/ (de leerkracht wijst op het plaatje met de pet) of een /i/ (de leerkracht wijst op het plaatje met de pit). De leerkracht benoemt willekeurig een woord en nodigt een van de leerlingen uit te zeggen wat hij hoort: de /e/ van pet of de /i/ van pit? Hierbij blijven de plaatjes liggen in de rij, zodat de kinderen goed kunnen zien waarbij het woord hoort.
- Ten slotte wordt deze laatste oefening nog eens gedaan, maar nu zijn de plaatjes (behalve die van pet en pit) verdeeld onder de leerlingen. Telkens zegt de leerkracht een woord en het kind met het bijbehorende plaatje mag zeggen waar het bij hoort en het plaatje vervolgens in de goede rij leggen.
- Aan het eind herhalen de leerlingen nog een keer samen met de leerkracht de woorden en benadrukken dan steeds de /e/ of de /i/.
Deze activiteit moet niet te lang duren, ongeveer tien minuten. De verschillen tussen de klanken kunnen later nog eens geoefend worden met alleen de woordplaatjes van pet en pit als voorbeeldplaatjes voor het verschil. Dan kunnen er ook andere woorden gebruikt worden, eventueel zonder plaatjes, zoals wel en wil en vet en fit. Als de kinderen eenmaal door hebben op welke klanken ze moeten letten, kan steeds tussendoor een korte herhalingsactiviteit gedaan worden.
Een dergelijke activiteit kan ook opgezet worden met andere klankverschillen, zoals die tussen /a/ en /aa/ of tussen /b/ en /p/.
*Het verschil tussen /e/ en /i/ is moeilijk af te zien aan de stand van de mond, maar bij andere klankparen is dit duidelijker, zoals /a/ en /aa/.
- Bekijk dit filmpje over het leren van klanken in de moedertaal.