Hoofdstuk 12
Het belang van feedback (2)
Hier vind je een uitwerking van de ondersteuning die de leerling in dit gesprek nodig heeft.
De leerkracht nodigt een van de kinderen uit te vertellen over zijn ervaringen in het ziekenhuis.
Leerkracht: Vertel jij daar eens iets van, weet je dat nog?
1 Leerling: Ja juf, ik ging eerst naar kinderafdeling...
Leerkracht: Ja...
2 Daar gaan de kinderen... ging ik met een vrouw praten welke bed moet ik gaan.
3 En toen had iemand als van dees (hij wijst zijn arm aan) maar daar stond van van papier stond mijn naam op.
Leerkracht: Je krijgt een armbandje van papier.
4 Ja.
Leerkracht: … en daar schrijven ze je naam op met een pen.
5 Ja. Daarna ging ik naar mijn plaats.
6 Ging ik wat met vrienden mijn naam zeggen en hun zei naam.
7 Ging ik een beetje spelen.
8 Ging mijn vader weg.
9 Volgende dag ging ik opereren ging ik net zo’n zwarte deur, juf, ging ik in.
Leerkracht: Ja.
10 Ging ik... een man zei: ‘Ik heb een nieuw bed voor je gemaakt’, juf. (het kind lacht bij de herinnering).
11 Toen ging ik daar... hadden ze hadden ze... ging ik zo in een kamer.
12 Die zeiden een prik of van die ding, juf, (met gebaar) in je mond.
13 Ik zei ik wil van die ding in mijn mond.
Leerkracht: In je mond? Dat is een kapje, wat je krijgt.
14 Een kap en dan...
Leerkracht: En als je zo´n kapje krijgt, wat gebeurt er dan?
15 Dan ga je net zo slaperig worden, juf.
Leerkracht: En als je een prikje krijgt, wat gebeurt er dan?
16 Dan ga je ook weer inslapen.
Leerkracht: En wat had jij genomen?
17 Had ik van kapje genomen, juf.
(Bron: Alles past in het kader (videofilm), KPC, Den Bosch.)
Voor kinderen die al verder zijn met hun tweedetaalverwerving is gerichte feedback van groot belang. We zijn al ingegaan op de ondersteuning die in dit gesprek aan de tweedetaalleerder gegeven kan worden bij het zoeken naar woorden, zoals bij (13) ‘die ding in mijn mond’. De leerkracht zegt dan ‘dat is een kapje’. Het kind neemt dit meteen over.
Er zijn nog andere momenten waarop de leerkracht steun had kunnen geven bij het kiezen van de juiste woorden, bijvoorbeeld direct in het begin als de jongen vertelt dat hij ging praten ‘met een vrouw welke bed moet ik gaan’ (2). Waarschijnlijk was dat een verpleegster die hem zijn bed wees op de kinderafdeling. De zin is niet alleen niet correct, maar ook onduidelijk, want met welke ‘vrouw ‘ ging hij dan praten? De leerkracht had kunnen vragen naar meer specifieke informatie: ‘Kwam er een verpleegster?’ En: ‘Vroeg ze welk bed je wilde hebben?’ Dergelijke vragen zorgen ervoor dat het kind de juiste woorden krijgt aangereikt.
Ook bij (6) ’Ging ik wat met vrienden mijn naam zeggen en hun zei naam’ had feedback voor de nodige precisering kunnen zorgen. Het kind wil hier blijkbaar vertellen dat hij in het ziekenhuis nieuwe vrienden heeft gemaakt en dat hij zich aan hen heeft voorgesteld. Dit komt niet helemaal uit de verf en de leerkracht had kunnen helpen door een korte samenvatting te geven, bijvoorbeeld: ‘Ja, leuk zeg, je hebt dus nieuwe vrienden gemaakt in het ziekenhuis. Ze stelden zich aan jou voor en jij stelde je aan hen voor. ’
Op die manier had de leerkracht goed kunnen aansluiten bij het taalgebruik van het kind en kunnen modelen hoe de zinnen moesten lopen. Voor het kind is dit een ondersteuning, want uit alles blijkt dat hij graag wil vertellen, maar niet altijd de juiste woorden tot zijn beschikking heeft.
Zoals we in het boek al benadrukten, is een tweedetaalleerder er niet bij gebaat als op onjuist taalgebruik geen correctie volgt. Er is dan het risico dat de fouten inslijpen, want het kind krijgt immers niet te horen hoe het wel moet. Directe feedback is een belangrijk hulpmiddel om de tweedetaalleerder verder te helpen. Toch is het elke keer in een kringgesprek zoeken naar het evenwicht tussen ondersteuning geven en het gesprek vlot laten doorlopen. Iedere leerkracht moet dit per situatie bekijken.
Bij de volgende zin ‒ (9) Volgende dag ging ik opereren ging ik net zo’n zwarte deur, juf, ging ik in ‒ had de leerkracht een verhelderingsvraag kunnen stellen en meteen de zin goed kunnen ‘teruggeven’.
De leerkracht had bijvoorbeeld kunnen vragen: ‘Dus de volgende dag werd je geopereerd. Maar je ging eerst door een zwarte deur? Ging je naar de operatiekamer?’ Op die manier kunnen nieuwe woorden die goed in de context passen worden aangereikt.
Vervolgens herinnert het kind zich iets grappigs: (10) Ging ik... een man zei: “Ik heb een nieuw bed voor je gemaakt,” juf.’ Het is echter niet duidelijk waarom hij moet lachen. Dit is jammer, want dan gaat het voor de groep ook verloren. De leerkracht had een verhelderingsvraag kunnen stellen: ‘Je ging naar de operatiekamer, maar eerst kreeg je een nieuw bed van de verpleger? Een helemaal nieuw bed?’ Zo kan de leerkracht het moment dat voor het kind blijkbaar emotioneel belangrijk is eruit lichten en zorgen dat dit toch ook aan de groep overkomt.
Het valt verder op dat het kind veel algemene termen gebruikt. Hierboven is al gewezen op ‘een vrouw’, waarmee waarschijnlijk een verpleegster bedoeld is en ook in de volgende zin zijn de personen niet duidelijk: (12) ‘Die zeiden een prik of van die ding, juf, (met gebaar) in je mond.’ De leerkracht had in de volgende vraag die personen kunnen toevoegen: ‘In je mond? Dat is een kapje, wat je krijgt. Dus de verplegers vroegen je of je een prik wilde of een kapje over je mond. Je mocht dus kiezen: een prik of een kapje over je mond.’ Zo kan de leerkracht niet alleen het juiste woord (kapje) aanreiken, maar ook het juiste voorzetsel (over je mond). Door dit nog eens te herhalen, zal het voor het kind duidelijker overkomen.
Voor tweedetaalleerders is het niet alleen belangrijk om de juiste zinnen te horen, maar ze moeten ook nieuwe taal aangereikt krijgen. Daarmee kunnen ze hun taal verrijken. Als dit gebeurt in het kader van wat ze op dat moment vertellen, sluit het goed aan bij hun behoefte om over te brengen wat ze ervaren hebben.
Maar zoals hierboven al werd gesteld: de leerkracht bekijkt op zo’n moment of het verloop van het gesprek niet verstoord wordt door de verhelderingsvragen en de feedback. Dit kan per kind verschillen en het hangt zeker af van de wijze waarop het kind reageert op de feedback en of het geremd dan wel juist gestimuleerd wordt om te praten. Steeds zal de leerkracht ook positief reageren en nooit fouten expliciet verbeteren in een kringgesprek.