Portaal

Hoofdstuk 12

Aandacht en concentratie

De in paragraaf 12.5 beschreven ervaringen van de kleuter worden verhelderd en we lopen punt voor punt na wat hier precies gebeurt.

Deze tekst kun je hier beluisteren. Hierna lopen we punt voor punt na wat hier gebeurt. Dan wordt ook duidelijk wat het kind niet begrijpt.

Concentratie

Het gaat om een kind dat zijn concentratie verliest en dan niet meer kan stilzitten (En als óók Achmed nu éven ’n moment stil wil zitten). Maar is er wel sprake van een gebrek aan concentratie? In de casus wordt het bekende prentenboek Welterusten kleine beer voorgelezen en het kind begrijpt hiervan maar enkele woorden. Onrustig gedrag is dan volkomen normaal. Zijn gedrag komt dus niet voort uit een gebrek aan concentratie, maar uit een gebrekkig begrip van de voorgelezen tekst.

Wat begrijpt het kind?

Anderstalige kleuters geven soms de indruk dat ze een vraag begrepen hebben, terwijl ze er in werkelijkheid maar een slag naar slaan. Ze kunnen uit beleefdheid met ja antwoorden zonder dat ze enig idee hebben waarop ze ja zeggen, of ze doen gewoon andere kinderen na (bijvoorbeeld een afbeelding in het boek aanwijzen). Merkt de leerkracht dat bepaalde vragen te moeilijk zijn (En zie je waar het hélemaal donker is?), dan kan ze zelf het antwoord geven of open vragen vervangen door vragen waaruit het kind het antwoord kan kiezen (zogenoemde of‑ofvragen) of simpele ja‑neevragen.

Begrip komt voor spreken (stille periode)

Door de geringe taalbeheersing kan een op het eerste gezicht eenvoudige vraag al snel boven het niveau van het kind liggen.

  • Een vraag als En zie je waar het hélemaal donker is? is voor een beginnende tweedetaalleerder te complex (hoofdzin Zie je met vragende bijzin waar het donker is). Korte, niet-complexe zinnen met weinig verwijswoorden zijn beter: Waar is het donker?
  • Ook open vragen als En weet je waaróm ’t beertje niet kon slapen, dan? kunnen een kind in verlegenheid brengen. Het kan natuurlijk nog complexer, zoals bij de volgende vraag: Ja, maar waaróm heeft de grote beer een lantaren daar aangedaan dan? Het kind weet het antwoord misschien wel, maar kan dit niet onder woorden brengen.

In het boek is al gewezen op de zogenoemde stille periode. Het is belangrijk dat leerkrachten kinderen niet tot spreken dwingen, maar de stille periode mag ook geen reden zijn het kind dan maar te negeren. Het is juist van belang dat het kind bij alle activiteiten betrokken wordt. De leerkracht kan de beurten van het kind zelf invullen of woorden aanreiken en dan goed letten op de reacties van het kind. Vaak begrijpt een kind al heel veel woorden en zinnen, ook al kan het zich nog niet in het Nederlands uitdrukken.

Veiligheid

Jonge kinderen die vragen moeten beantwoorden die ze niet begrijpen of waarop ze het antwoord nog niet kunnen formuleren, worden in een onveilige situatie gebracht. Veiligheid is een van de basisvoorwaarden voor een goede ontwikkeling. De leerkracht moet er daarom voor zorgen dat het kind niet in een situatie wordt gebracht waarin het alleen maar kan falen. Kinderen kunnen hier onzeker van worden, waardoor ze zich terugtrekken of juist veel onrustig en zelfs agressief gedrag gaan vertonen. In de casus voelt het kind zich onveilig en dat wordt duidelijk uit het feit dat hij zich uit alle macht op zijn schoenen concentreert om maar te ontsnappen aan de vragen van de leerkracht.

Nog eens benoemen

Het helpt beginners als nieuwe woorden apart benoemd en herhaald worden. De leerkracht had beter duidelijk het beertje kunnen aanwijzen en de nieuwe woorden ook apart kunnen benoemen, het liefst aan het begin van de zin: Kijk, het beertje, dit is het beertje. Het beertje kan niet slapen. Het beertje moet slapen, maar het beertje kan niet slapen. De belangrijkste inhoudswoorden (beertje en slapen) worden dan nog eens herhaald en dat zijn ook de woorden die door de afbeelding ondersteund worden. Op die manier kan het kind proberen de betekenis van die woorden te achterhalen. Herhaling van nieuwe woorden en die woorden apart benoemen is beslist noodzakelijk voor een goed begrip.

Visuele context              

De context in dit stadium moet in de eerste plaats duidelijk en visueel zijn, in de vorm van voorwerpen, handelingen of een duidelijke afbeelding. De leerkracht moet dan wel het voorwerp of de bijbehorende afbeelding direct aanwijzen op het moment dat het woord in het verhaal voorkomt. Het heeft niet zoveel zin om eerst drie, vier zinnen voor te lezen over een berenhol en daarna pas de afbeelding aan te wijzen. Veel beter is eerst het berenverblijf aan te wijzen en tegelijkertijd twee of drie keer te benoemden: Kijk, dit is het hol, het hol van de beren. De beren wonen in dit hol.

Spreektempo en articulatie

Omdat het in de casus voor de leerkracht vervolgens niet duidelijk is of het kind de maan wil aanwijzen, vraagt ze Bedoel je de maan? Maar ook dat is voor het kind onbegrijpelijk, want ze spreekt de zin te snel en met te weinig articulatie uit. Het woord ‘bedoelen’ is waarschijnlijk nog niet bekend bij het kind. Voor beginners is taalaanbod dat te snel wordt uitgesproken niet goed te verstaan en daardoor leren ze er ook niet veel van. Het spreektempo in Nederland is de laatste decennia steeds hoger geworden en dit is voor beginnende tweedetaalleerders niet gunstig. Voor een begrijpelijk taalaanbod moet de leerkracht veel langzamer spreken en de belangrijkste inhoudswoorden benadrukken en goed articuleren. Ook pauzes tussen de zinnen helpen.

De belangrijkste aandachtspunten voor een begrijpelijk en verrijkend taalaanbod zijn:

  • langzaam tempo, veel herhaling;
  • in zinnen de belangrijkste inhoudswoorden benadrukken en herhalen;
  • goede articulatie en pauzes tussen de zinnen;
  • koppelen aan een visuele context van voorwerpen, handelingen en afbeeldingen