Hoofdstuk 12
Interactieschema
Hier staat een schema waarin de interactie met tweetalige leerlingen beschreven is.
Leerlinggedrag | Leerkrachtgedrag | Voorbeeld |
Kind spreekt nog geen Nederlands, bevindt zich in de stille periode
| Leerkracht benoemt voorwerpen en handelingen Geeft veel taalaanbod, spreekt in langzaam tempo en herhaalt veel | Zo jij hebt een hoge toren gebouwd! Hoe heb je dat gedaan?
Leerkracht past haar taalaanbod aan:
Heb jij die toren gebouwd? Ze wijst het kind en daarna de toren aan.
Wat een hoge toren! (Leerkracht wijst aan hoe hoog de toren is) Wat knap, zo’n hoge toren! De toren is erg hoog!
|
Kind kan mensen, dingen en handelingen benoemen | Leerkracht stelt ja/nee-vragen en of/of-vragen in een concrete context, herhaalt veel, benoemt de concrete voorwerpen en handelingen, stimuleert eigen taalproductie van kind in één-op-éénsituatie | Zo, jij hebt een hoge toren gebouwd! Hoe heb je dat gedaan? Heb je eerst de grote blokken gepakt? (Wijst de grote blokken aan)
Die blokken, je hebt eerst die blokken gepakt. Heb je toen die andere blokken erop gezet?
Je hebt eerst die grote blokken gepakt. En toen heb je die andere blokken gepakt. Die andere blokken heb je er bovenop gezet. Nou, knap hoor! Wat een hoge toren!
|
Kind kan korte zinnen maken Afhankelijk van de vraag kan het kind iets langere zinnen maken, nog niet met veel vervoeging of verbuiging | Leerkracht stelt moeilijkere vragen, stimuleert de taalproductie en geeft zorgvuldig feedback, biedt dan de correcte vormen aan en ‘geeft de zin goed terug’ | Zo, wat een hoge toren! Hoe heb je die toren gebouwd?
O, je hebt eerst de grote blokken gepakt. En toen heb je die andere blokken erbovenop gezet. Zo heb je de toren gebouwd. Goed zeg!
|