Hoofdstuk 12
Het belang van feedback (1)
Hier vind je een voorbeeld van een gesprek met een leerling waarbij de leerkracht feedback geeft op het taalgebruik en het kind helpt bij het vinden van de juiste woorden.
In de klas bekijkt de leraar met de zesjarige D. uit Zaire het boekje Kikker is bang.
- Leraar: 1. ‘Vertel maar. Kun jij het vertellen?’
- D.: ‘Nee, die ken ik niet vertellen, andere.’
- Leraar: ‘2. De andere bladzijde.’
- D: ‘Ja. Die kikker, die was slapen. En die kikker, die was bank.’
- Leraar: ‘3. Ja, de kikker was bang.’
- D: ‘Hij kan niet slapen. En dan kikker gaat runnen. Hij gaat …. (hij slaat met zijn vuist tegen de kastdeur). Hij zegt ik ik ben bank, ik kan niet slapen.’
- Leraar: ‘4. Wat doet...’
- D: ‘Dan hij zegt kom maar binnen, ik ben nooit bank.’
- Leraar: ‘5. Wat doet de kikker?’
- D: ‘Runnen.’
- Leraar: ‘6. Ja, he, rennen, hij gaat rennen. 7. En waar gaat-ie naar toe?’
- D: ‘Eh… naar de vogel huis.’
- Leraar: ‘8. Ja, naar het huis van de vogel. 9. Hoe heet die vogel?’
- D: ‘Ik weten niet zijn naam.’
- Leraar: ‘10. Jij weet niet hoe hij heet. (D. schudt zijn hoofd) 11. Nou, een eend, ja, eend. 12. En wat zegt ie tegen eend?’
- D: ‘Eend die zeggen kom maar binnen, ik ben nooit bank.’
- Leraar: ‘13. Ah. 14. Eend zegt: ik ben nooit bang. 15. Eend is nooit bang.’
De leerkracht geeft uitbreiding aan onvolledige uitingen van het kind. Als het kind ‘andere’ zegt, dan maakt zij ervan: ‘De andere bladzijde’ (2).
Het kind spreekt sommige woorden niet helemaal juist uit, het heeft moeite met de eind -ng: ‘bank’ in plaats van ‘bang’. De leerkracht laat dan de juiste uitspraak horen: ‘Ja, de kikker was bang’ (3) en nog eens aan het eind: ‘Eend zegt: ik ben nooit bang’ (14), waarna ze het moeilijke woord nog een keer herhaalt: ‘ Eend is nooit bang’ (15).
Doordat ze steeds bevestigt wat het kind zegt (‘Ja, de kikker was bang’), geeft ze positieve feedback en niet alleen een correctie op de uitspraak. Dat doet ze ook bij de uitspraak van ‘rennen’ (6), waarbij ze ‘rennen’ nog eens herhaalt: ‘Ja, he, rennen, hij gaat rennen.’
Ze corrigeert ook zinnen die niet helemaal goed lopen door nog eens de zin goed terug te geven, bijvoorbeeld bij ‘Ik weten niet zijn naam’. Daarop reageert ze met: ‘Jij weet niet hoe hij heet’ (10). Op die manier laat ze het kind horen hoe de goede zin klinkt en sluit ze met de feedback nauw aan bij zijn eigen uitingen.
Bij (9) controleert ze of hij het woord ‘eend’ kent. Over het algemeen is het niet raadzaam om in een gesprek te veel controlevragen te stellen, het risico is dat het kind zich dan overhoord voelt. De leerkracht in dit gesprek doet het echter maar één keer, waarschijnlijk omdat het kind ‘vogel’ zegt en dus niet de juiste naam noemt. Ze herhaalt het juiste woord meteen een paar keer, namelijk in (11) en (12) en in (14) en (15) ook weer. Na de eerste herhaling pakt de jongen het woord meteen op: ‘Eend die zeggen kom maar binnen: ik ben nooit bank’. Deze zin corrigeert de leerkracht ook impliciet door hem gedeeltelijk goed terug te geven en daarbij de juiste persoonsvorm te laten horen: ‘Eend zegt: ik ben nooit bang’ (14).
Directe feedback
In dit korte stukje gespreksprotocol kunnen we zien dat in een persoonlijke één-op-éénsituatie veel mogelijkheden zijn om direct in te spelen op het taalgebruik van het kind. De leerkracht reageert positief op het kind en sluit met haar feedback nauw aan bij zijn uitingen, waardoor ze woorden en zinnen aanbiedt die net een stapje hoger liggen dan wat het kind op dat moment laat horen. Dat geeft hem de gelegenheid zijn uitingen terug te horen waarin één bepaald deel gecorrigeerd is. Er zijn aanwijzingen dat juist deze directe feedback tweedetaalleerders helpt bij het uitbreiden van hun taalvaardigheid.